ECLI:NL:GHAMS:2024:2236

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
22 april 2024
Publicatiedatum
9 augustus 2024
Zaaknummer
000846-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing hoger beroep tegen verzoek tot vergoeding waardevermindering beslagen goederen

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2022, waarin hij niet-ontvankelijk werd verklaard in zijn verzoek tot vergoeding van waardevermindering van beslagen goederen en kosten rechtsbijstand.

Het verzoek betrof een schadevergoeding van €5.425,- wegens waardevermindering van goederen gedurende beslaglegging en €680,- aan kosten voor rechtsbijstand. De rechtbank wees het verzoek af wegens gebrek aan wettelijke grondslag.

Het hof overweegt dat artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering noch enige andere wettelijke bepaling een grondslag biedt voor vergoeding van waardevermindering van beslagen goederen. Ook het verzoek tot toewijzing van een standaardvergoeding is door de rechtbank terecht afgewezen.

Het hoger beroep is tijdig ingesteld, maar appellant is niet verschenen bij de raadkamer. Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. De beschikking is op 22 april 2024 uitgesproken door de meervoudige raadkamer van het Gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bevestigt dat geen vergoeding voor waardevermindering van beslagen goederen kan worden toegekend.

Uitspraak

beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummer(s): 000846-23 (530 Sv)
parketnummer in eerste aanleg: 13/168547-19
Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2022 op het verzoekschrift op de voet van artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] 1974,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. C.J.P. Liefting,
[adres]

1.Procesverloop

Het hoger beroep is op 19 januari 2023 ingesteld door verzoeker (hierna appellant). Voorts is een appelschriftuur ingekomen.
Op 18 januari 2024 zijn appellant en diens advocaat opgeroepen voor de raadkamer van 25 maart 2024.
Op 22 januari 2024 heeft de advocaat-generaal het advies van het Openbaar Ministerie kenbaar gemaakt.
Het hof heeft ambtshalve vernomen dat de advocaat van appellant per 27 februari 2024 geschrapt is van het tableau.
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 25 maart 2024 de advocaat-generaal ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellant is niet in raadkamer verschenen.

2.Inhoud van het verzoek

Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van inbeslagname van goederen in de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 5.425,00;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in eerste aanleg ten bedrage van € 680,00.

3.Beoordeling

Het hoger beroep is tijdig ingesteld.
Appellant is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek en heeft het verzoek voor een standaardvergoeding voor het opmaken, indienen en in behandelen van het verzoekschrift afgewezen.
De verzochte schadevergoeding kent als achtergrond een veronderstelde waardevermindering van de beslagen goederen gedurende de periode van beslaglegging tot aan het moment van teruggave. Het hof is van oordeel dat artikel 530 Sv Pro noch enige andere bepaling in het Wetboek van Strafvordering voorziet in een grondslag voor een dergelijk verzoek. Het oordeel van de rechtbank dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn verzoek is dan ook juist. Het hof is tevens van oordeel dat ook het verzoek tot vaststelling en toewijzing van een standaardvergoeding door de rechtbank op juiste gronden is afgewezen.
Het hof zal het hoger beroep derhalve afwijzen.

4.Beslissing

Het hof:
Wijst het hoger beroep af
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.M.P. Geelhoed, A.R.O. Mooy en A.C. Huisman, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 22 april 2024.