ECLI:NL:GHAMS:2024:230
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging vaststelling ouderschap man ten aanzien van dochter na overlijden
In deze civiele zaak stond de vaststelling van het vaderschap van de man ten aanzien van zijn dochter centraal. De dochter had bij de rechtbank het vaderschap laten vaststellen en haar geslachtsnaam gewijzigd. Verzoekster, een ander kind van de man, kwam in hoger beroep met het verzoek om DNA-onderzoek om het vaderschap te betwisten.
De rechtbank had DNA-onderzoek niet noodzakelijk geacht vanwege het ontbreken van bruikbaar DNA-materiaal en het ontbreken van gerede twijfel over het vaderschap. Verzoekster stelde dat er wel twijfel bestond en dat DNA-onderzoek uitsluitsel kon geven, terwijl de dochter dit betwistte en stelde dat het vaderschap reeds voldoende was vastgesteld door de aangifte bij de burgerlijke stand en de familiale erkenning.
Het hof overwoog dat de man en de moeder samenwoonden ten tijde van de geboorte, dat de man aangifte deed van de geboorte en een vaderrol vervulde. De familie had nooit aan het vaderschap getwijfeld en de man had dit ook bevestigd tijdens een mentorschap. De stelling van verzoekster dat een broer van de man de biologische vader zou zijn, was onvoldoende onderbouwd en stond haaks op de verklaringen van familieleden.
Het hof concludeerde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat er geen gerede twijfel bestond en dat DNA-onderzoek geen absoluut uitsluitsel zou geven door het ontbreken van DNA-bronmateriaal. Daarom werd het verzoek tot DNA-onderzoek afgewezen en de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. De proceskosten werden gecompenseerd tussen partijen.
Uitkomst: Het gerechtshof bekrachtigt de vaststelling van het vaderschap en wijst het verzoek tot DNA-onderzoek af.