Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen beschikkingen van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam inzake zijn verzoek om schadevergoeding voor overleveringsdetentie, verzekering en voorlopige hechtenis, alsmede kosten rechtsbijstand.
De rechtbank had het verzoek deels afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en het niet instemmen met de verkorte overleveringsprocedure. Het hof oordeelt dat gronden van billijkheid aanwezig zijn voor vergoeding van de door appellant ondergane detentie en de kosten rechtsbijstand.
Het hof vernietigt de eerdere beschikkingen en kent een vergoeding toe van € 8.380,00 voor detentie en € 680,00 voor rechtsbijstand, met verrekening van openstaande bedragen die appellant aan de Staat verschuldigd is. De beschikking is op 27 augustus 2024 uitgesproken door de meervoudige raadkamer van het Gerechtshof Amsterdam.