ECLI:NL:GHAMS:2024:2458
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid en schadevergoeding na verkeersruzie en handgemeen met letsel
In mei 2019 ontstond een verkeersincident op de N236 waarbij een aanrijding plaatsvond tussen de appellant 1 als taxichauffeur en de geïntimeerde. Na de aanrijding escaleerde de situatie in twee fasen van handgemeen, waarbij de geïntimeerde letsel opliep, waaronder een gebroken elleboog en een hoofdwond.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat beide broers aansprakelijk waren voor een deel van de schade, maar dit oordeel werd aangevochten in hoger beroep door beide broers en de geïntimeerde. Het hof onderzocht de feiten, waaronder getuigenverklaringen en politieprocessen-verbaal, en concludeerde dat appellant 1 aansprakelijk was voor alle schade uit beide fasen van het incident, terwijl appellant 2 alleen aansprakelijk was voor het geweld in de tweede fase.
De schadevergoeding werd vastgesteld op €69.637,93 voor appellant 1, inclusief smartengeld, verlies van arbeidsvermogen en medische kosten. Appellant 2 werd veroordeeld tot betaling van €650 aan immateriële schadevergoeding. Het hof verwierp de eigen schuldverweren en bekrachtigde het overige vonnis. Beide appellanten werden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Appellant 1 wordt veroordeeld tot betaling van ruim €68.000 aan schadevergoeding en appellant 2 tot €650 immateriële schadevergoeding.