De zaak betreft een geschil tussen ouders over de hoofdverblijfplaats van hun kinderen en een zorgregeling na een voorgenomen verhuizing van de moeder naar een andere gemeente. De rechtbank had de moeder vervangende toestemming gegeven om met de kinderen te verhuizen, maar de vader ging hiertegen in hoger beroep.
Het hof constateert dat de moeder financieel genoodzaakt is te verhuizen vanwege hoge woonlasten en dat zij een woning in de nieuwe gemeente heeft betrokken. De vader is gebonden aan zijn werk en woonplaats en wil niet verhuizen. Het hof weegt het belang van de kinderen af, waarbij continuïteit, voorspelbaarheid en het behoud van hun huidige school en omgeving zwaar wegen.
Uiteindelijk oordeelt het hof dat het belang van de kinderen het best gediend is met een hoofdverblijfplaats bij de vader in de huidige woonplaats, omdat hij doordeweeks meer zorgtijd kan bieden en de kinderen zo in hun vertrouwde omgeving blijven. De zorgregeling wordt zo aangepast dat de kinderen vier dagen doordeweeks bij de vader verblijven en drie dagen bij de moeder, met extra contactmomenten en vakantiedagen voor de moeder. De moeder ontvangt een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van €210 per kind per maand. Het verzoek tot schorsing van de beschikking wordt afgewezen.