Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant 1] ,
[appellant 2],
1.DE STAAT DER NEDERLANDEN
DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/
1.DE STAAT DER NEDERLANDEN
DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/
1.DE STAAT DER NEDERLANDEN
DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/
1.TRADMAN NETHERLANDS B.V.,
TRADMAN FS HOLDING B.V.,
TRADMAN IP HOLDING B.V.,
TMF HOLDING B.V.,
[appellant 1],
[appellant 2],
1.De zaak in het kort
2.Het verdere geding in hoger beroep
3.Feiten
The undersigned (…) hereby declares he is the beneficial owner of Marsannay Holding S.A.’
de door ons verleende diensten en adviezen’. De factuur is een bijlage bij een brief van 27 juni 1997 van [appellant 2] van ETS (thans: Tradman NL) aan Mubavi Nederland (hierna ook: de begeleidende brief). Uit de begeleidende brief volgt dat de factuur van 27 juni 1997 niet ziet op door Vechtmond I verrichte diensten, maar strekt tot betaling aan Marsannay. De factuur en de begeleidende brief zijn gericht aan het woonadres van [naam 1] in Nederland in plaats van het bedrijfsadres van de Mubavi-groep. In de brief staat, voor zover hier van belang:
Marsannay Holdings S.A.’, houdt het volgende in, voor zover hier van belang:
4.Vorderingen
In de zaak Belastingdienst/Tradman FS, Tradman IP, TMF, [appellant 1] en [appellant 2]’ en ‘
In de zaak Belastingdienst/Tradman NL’. Het hof beschouwt het daar vermelde als hier herhaald en ingelast.
5.Beoordeling
versiesvan de beschikbare documenten hebben verstrekt. Dit betoog verwerpt het hof op de grond dat aangenomen moet worden dat in elk geval het bronmateriaal uit de heffings- en invorderingsdossiers is overgelegd en onvoldoende is geconcretiseerd wat nog ontbreekt.
fundamentele bescherming tegen zelf-belasting (self-incrimination).’ De Staat c.s. hebben deze beginselen volgens hen geschonden door in de onderhavige civiele procedure informatie te gebruiken die is verkregen bij de uitoefening van de publiekrechtelijke taak van de Staat c.s., en meer in het bijzonder bij het derdenonderzoek. Het gaat [appellant 1] en [appellant 2] vooral om de informatie die op de
Imagestond, te weten de digitale kopie van de (volledige) elektronische administratie van Tradman NL die Tradman NL aan de Belastingdienst heeft verstrekt. Het betoog van [appellant 1] en [appellant 2] strekt ertoe dat deze informatie buiten het geding moet blijven en daarom niet kan bijdragen aan het oordeel dat zij aansprakelijk zijn. Grief 8 van [appellant 1] en [appellant 2] ziet hierop.
waarborgen’ of ‘
waarborg’ doelen [appellant 1] en [appellant 2] op de tekst van de (hierna te citeren) brief van 9 maart 2009 van de Belastingdienst aan (destijds) de advocaat van Tradman NL, die de overeenstemming inhoudt die is bereikt ter gelegenheid van een kort geding tussen de Staat c.s. als eisers en Tradman NL als gedaagde. Volgens [appellant 1] en [appellant 2] heeft de rechtbank in rov. 4.17-4.28 van het vonnis waarvan (thans) beroep ten onrechte overwogen dat uit de waarborg in het onderhavige geschil geen beperkingen voortvloeien ten aanzien van het gebruik van de gegevens die van de
Imageafkomstig zijn.
Imageverkregen informatie. Daarmee beogen zij kennelijk (mede) een beroep te doen op art. 153 Rv Pro. Daarbij benadrukken zij dat in de waarborg het woord ‘
uitsluitend’ wordt gebruikt. Verder betogen zij dat het met zoveel woorden in de tekst tot uitdrukking had moeten zijn gebracht als de Staat c.s. de gegevens ook hadden willen gebruiken in verband met, kort gezegd, aansprakelijkstelling van Tradman NL en/of haar bestuurders, temeer omdat volgens hen (i) ook art. 47 AWR Pro en art. 58 IW Pro 1990 zien op de gegevens die de belastingplichtige zelf betreffen en (ii) die bepalingen niet erin voorzien dat die gegevens vervolgens worden gebruikt voor de aansprakelijkheid van de derde van wie die gegevens afkomstig zijn.
sowieso – en a fortiori – al gold ten aanzien van haarzelf en haar bestuurders.’ Dat mochten zij ook niet afleiden uit de brieven van de Belastingdienst die over de waarborg gaan.
fiscale relevantie’ in de waarborg. [appellant 1] en [appellant 2] hebben niet voldoende betwist dat stukken fiscaal relevant zijn zolang de inspecteur kan heffen en/of de Ontvanger kan invorderen. De onderhavige procedure betreft nog slechts de navorderingsaanslag 1996 van Marsannay, zoals hierna zal worden toegelicht. Voor gegevens die daarop zien, kan naar het oordeel van het hof niet met succes worden betoogd dat de fiscale relevantie ten tijde van het maken van de
Imageal was verstreken. Daarom kan niet worden geoordeeld dat enige productie buiten beschouwing moet blijven. Hetgeen [appellant 1] en [appellant 2] verder hierover naar voren hebben gebracht, is tevergeefs.
Image.
Kamerstukken II1989/90, 21 423, nr. 3, p. 2). In het nader rapport is daarnaast de verwachting uitgesproken dat deze bepaling slechts in een gering aantal gevallen daadwerkelijk zal kunnen worden toegepast (
Kamerstukken II1989/90, 21 423, nr. B, p. 3).
Het is niet de bedoeling van de wetgever geweest om in gevallen waarin de verlengde navorderingstermijn van toepassing is ter zake van één bestanddeel van het vermogen of het inkomen, ook navordering mogelijk te maken ter zake van andere bestanddelen van dat vermogen of dat inkomen’, aldus HR 16 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:303. Ook dat betekent dat de Staat c.s. in de onderhavige civiele procedure niet met een algemeen betoog kan volstaan.
betrokken is geweest bij diverse aan- en verkooptransacties van meerdere pleziervaartuigen’ en dat daarnaast uit de stukken naar voren komt dat er in genoemde periode ‘
rechten in het modemerk Zanella zijn verworven en nadien weer verkocht’. ‘
Het moet er derhalve naar mijn mening voor worden gehouden dat € 8.000.000 het saldo is van de kennelijk in de jaren 1999 tot en met 2001 of begin 2002 door Marsannay (…) verrichte handelsactiviteiten’, aldus de toelichting van de inspecteur.
iemand’ – volgens de Staat c.s. vermoedelijk [naam 7] – met pen de tekst ‘
8.000.000 euro’ heeft gezet, zonder daarbij enige andere tekst te vermelden. De geschreven tekst ziet er als volgt uit:
diverse aan- en verkooptransacties van meerdere pleziervaartuigen’ niet hebben uitgewerkt. De Staat c.s. verwijzen nog wel naar stukken waaruit zij afleiden dat er omvangrijke geldstromen gemoeid moeten zijn geweest met (sub)licenties van het merkenrecht Zanella, maar deze stukken zijn onvoldoende concreet en repareren de hiervoor gesignaleerde lacunes in de stellingen van de Staat c.s. niet.
een Ferretti 112 en Sea Ray Sundancer 370’ vanuit ‘
tot de Mubavi-groep behorende rechtspersonen’ zijn verkocht en dat het ‘
ervoor moet worden gehouden’ dat de met de verkoop van deze schepen gerealiseerde opbrengsten ‘
de facto zijn gerealiseerd in Fenchurch’, zonder te verklaren waarom het niet een van de (vele) andere tot de Mubavi-groep behorende rechtspersonen kon zijn geweest die de bedoelde opbrengsten heeft gerealiseerd. Hiermee is onvoldoende gesteld voor het oordeel dat – in het belastingjaar 2004 – in Kooilust/Fenchurch (daadwerkelijk) sprake was van enige winst. Hetgeen de Staat c.s. in de onderhavige procedure naar voren hebben gebracht, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.
toedoen’ inning van de navorderingsaanslag 2004 niet meer mogelijk is.
aantoonbaar’ niet alle relevante en beschikbare informatie (tijdig) is verstrekt.
volledig dossier’ inzake Kooilust Finance geweest. Deze doos is drie keer door Tradman NL en één keer door TMF opgevraagd bij Iron Mountain, waar Tradman NL circa 2.500 dozen met administratie in bewaring bleek te hebben gegeven. Toen de Staat c.s. deze doos opvroeg in het kader van het derdenonderzoek bleek een dossier Kooilust Finance niet in die doos te zitten, waarbij mr. [naam 8] zelfs aangaf dat het dossier waarschijnlijk is vernietigd.
Doos zonder nu[mmer, hof]
diversen [naam 1].’
Marsannay Holdings SA correspondentie 20-11-1995 / 10-02-2002’ boven water gekomen. Dit dossier bestaat slechts uit 79 pagina’s over een periode van 9 jaar.
kan het niet zo zijn’ dat het verdwijnen van uitgerekend deze (dozen met) stukken op toeval berust.
Settlement Agreementuit augustus 2010 volgt dat is afgesproken dat de derde tranche van de met TMF overeengekomen koopprijs voor de aandelen in Tradman NL maar voor de helft zal worden betaald in verband met ‘
the [naam 1] Affair’, waaruit volgens de Staat c.s. kan worden afgeleid dat het door TMF verrichte interne onderzoek kennelijk relevante informatie heeft opgeleverd.
Imageén de harde schijven van de computers van [naam 7] en [naam 2] . Voor zover de Staat c.s. bedoelen dat er daarnaast nog (andere)bewijsstukken zijn en dat die zich in het domein van Tradman c.s., [appellant 1] en [appellant 2] bevinden, of hadden moeten bevinden, is dat onvoldoende toegelicht. Uit de door de Staat c.s. geschetste gang van zaken met betrekking tot de dozen ‘
volledig dossier’ inzake Kooilust Finance en ‘
zonder nu[mmer, hof]
diversen [naam 1]’ volgt ook niet dat die dozen op enig moment meer of andere stukken hebben bevat dan de stukken waarover de Staat c.s. reeds beschikken, terwijl daaruit evenmin kan worden afgeleid dat TMF, Tradman NL, [appellant 2] of [appellant 1] (de inhoud van) die dozen welbewust aan het zicht van de Staat c.s. hebben onttrokken. Het hof ziet ook overigens geen aanleiding van de hoofdregels van stelplicht, bewijslast en bewijswaardering af te wijken.
Things To Do Today’ en de handgeschreven aantekeningen:
‘(…) Optie doorgezet naar [naam 9] . (…) [naam 7] levert optie aan Marsannay (…) Verkoop Bosch & Donck’.
1996: 200 mio BEF binnen en daarna buiten bij KBC[een Belgische bank, hof]
(cash van Renting Car)’.
inzake Belgische vennootschappen’ zijn vastgelegd, waarin onder meer staat: ‘
Bosch & Donck is in 1996 (economisch) verkocht aan Marsannay’.
Kees Jansen is volgens [naam 2] een registeraccountant in dienst van [naam 7]’, aldus nummer 9.1.25 van de memorie van grieven.
‘Based on the documents received from the client and after receipt of information concerning the acquisition of the shares Bosch & Donck (see below) we should be able to do the accounting for a certain number of years (if not all years).’Uit de rest van deze e-mail blijkt vervolgens dat de informatie aan [naam 5] is verstrekt door [naam 7] , waaronder ook de informatie over de verkrijging van de aandelen Bosch & Donck.
al het in de navorderingsaanslag 1996 begrepen inkomen’ als in het buitenland opgekomen winstbestanddeel in de zin van art. 16, vierde lid, AWR kan worden aangemerkt. Zo heeft het deels betrekking op in Nederland gelegen onroerende zaken waarop de reguliere vijfjaarstermijn van toepassing is, aldus hun betoog.
bepaald niet verhuld’ omdat Marsannay daarin vetgedrukt en onderstreept wordt genoemd. Mubavi Nederland is al failliet sinds 9 maart 2005. De curatoren en de Staat c.s. konden vanaf dat moment over de administratie van Marsannay beschikken. Omdat de brief onderdeel uitmaakte van de administratie van Mubavi Nederland, konden de Staat c.s. vanaf dat moment geacht worden bekend te zijn met het bestaan van Marsannay, aldus samengevat hun betoog.
schone lei’ heeft gekregen. In de vaststellingsovereenkomst zouden in ruil voor afstand van rechten schulden zijn kwijtgescholden. De kwijting van [naam 2] brengt volgens Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] mee dat niemand meer kan worden aangesproken voor hetgeen waarvoor [naam 2] jegens de Staat c.s. gekweten is. Verder luidt hun betoog dat de Staat c.s. art. 21 Rv Pro hebben geschonden, en dat daaraan consequenties moeten worden verbonden. Zij vragen zich af wat nog meer uit de vaststellingsovereenkomst kan worden afgeleid nu deze niet integraal is overgelegd.
inzake de door ons verleende diensten en adviezen gedurende het tweede kwartaal van 1997’ een bedrag gefactureerd van ƒ 16.350 excl. btw (ƒ 19.21,25 inclusief btw). Enkel uit de begeleidende brief bij deze factuur (die naar het woonadres van [naam 1] in Nederland is gezonden in plaats van naar het bedrijfsadres van de Mubavi-groep) volgt dat deze factuur niet voor door Vechtmond I ‘
verleende diensten en adviezen’ was, maar dat deze factuur werd gestuurd zodat Marsannay ‘
fondsen’ had ‘
om kosten te voldoen’.
referral fees’ bij Tradman NL in rekening gebracht (wanneer trustkantoren klanten aanbrengen bij andere trustkantoren brengen zij elkaar ‘
referral fees’ in rekening). Uit een faxbericht (uit het dossier van Tradman NL over Marsannay) van Benelux Trust aan [naam 5] (van AmiLux) van 27 september 2001 (prod. 223 van de Staat c.s.) blijkt dat deze factuur in werkelijkheid op Marsannay ziet:
de door ons verleende diensten gedurende september tot en met oktober 2000’ (prod. 221 van de Staat c.s.). Het voorgaande bevestigt naar het oordeel van het hof dat door Benelux Trust in rekening gebrachte kosten via Tradman NL aan (een vennootschap van) [naam 1] worden doorberekend, zonder dat door Tradman NL wordt vermeld dat de verrichte diensten verband houden met Marsannay.
services rendered and expenses incurred to Marsannay Holdings S.A. for the period June 10, 2002 unto and including December 31, 2003’ voor € 7.914,66 (prod. 224 van de Staat c.s.) en op 30 augustus 2003 stuurt AmiLux een factuur aan Tradman NL in verband met ‘
services rendered and expenses incurred to Marsannay Holdings S.A. for the period July 1, 2003 unto and including August 31, 2003’ voor € 325 (prod. 225 van de Staat c.s.). In totaal brengt AmiLux zo € 8.239,66 voor Marsannay in rekening. Een vrijwel identiek bedrag (€ 8.239,66 plus een opslag van € 200) wordt vervolgens (met Nederlandse omzetbelasting, dus alsof de plaats van dienst Nederland was) door Tradman NL aan [naam 1] (Mubavi Nederland) doorberekend in verband met ‘
Services rendered during 2002 en 2003’ (prod. 226 van de Staat c.s.). Ook dit bevestigt naar het oordeel van het hof dat voor Marsannay werd geherfactureerd.
back-to-backs’ gaf (prod. 192 van de Staat c.s.). Dit document beslaat een periode van begin 1997 tot eind 2000. Het document vermeldt acht facturen met een totaalbedrag van € 239.525, waarover nog btw in rekening werd gebracht.
‘(…) [naam 2] (…) informed us to use the invoicing route that has been used in the past (…)’. Ook AmiLux ‘
heeft aan de curator van [naam 1] aangegeven dat facturen voor eiseres[Marsannay, hof]
via een Stichting Derdengelden E.T.S.A. werden betaald’ (zo staat in rov. 2.17 van de uitspraak van 27 oktober 2011 vermeld). Verder volgt uit de – onder 3.27 hiervoor bedoelde – brief van 17 mei 2010 van mr. [naam 8] aan de Belastingdienst dat er voor de facturatie van Marsannay een ‘
door [naam 1] gewenste facturatie route’ was.
namens’ een andere vennootschap werden verstuurd door [appellant 1] en/of [appellant 2] . Mr. [naam 8] schrijft op pagina 6 van zijn brief van 17 mei 2010, voor zover hier van belang: ‘
De naam “backtobacks” refereert aan het feit dat de facturen één op één doorgestuurd werden. Dit sluit aan bij de kennis dat de heren [naam 1] aangaven de voorkeur te hebben voor een facturatie route via Tradman Netherlands BV (…).’ Dat de facturen één op één werden doorgestuurd, is echter onjuist gebleken. Er werden nieuwe facturen gefabriceerd, op naam van een andere rechtspersoon, met een andere omschrijving van de verrichte werkzaamheden en gericht aan een andere rechtspersoon. Náást het wijzigen van de naam ‘
Marsannay’, werd er op de facturen Nederlandse omzetbelasting in rekening gebracht. Dit kon de suggestie wekken dat de gefactureerde dienst door Tradman NL aan Mubavi Nederland was verricht, hetgeen niet het geval was. Vervolgens werden deze ‘nieuwe’ facturen gebruikt. Het voorgaande is op zichzelf al onrechtmatig.
Extra-ordinary Shareholders’ Meeting’ van 10 juni 2002 is besloten laatstbedoeld bestuur van zijn taak te ontheffen. In dezelfde vergadering is besloten om de zetel te verplaatsen naar het adres van AmiLux. AmiLux was de nieuwe zustervennootschap van Tradman NL in Luxemburg. Besloten werd [appellant 1] , [naam 5] , [naam 14] en AmiLux als nieuwe bestuursleden te benoemen. [appellant 1] was vanaf dat moment dus weer (mede) bestuurder van Marsannay.
taxe d’abonnement’ en wordt gevraagd of [naam 5] al nieuws heeft van de cliënt over de overdracht van ‘
the company’. [naam 5] schrijft aan [appellant 2] dat hij heeft begrepen dat [appellant 2] vorige week een afspraak had met de UBO en hij vraagt:
‘Enig geluk ?’Na een rappel op 7 mei 2002 en op 14 mei 2002 schrijft [naam 5] , nog steeds met als onderwerp Marsannay Holdings SA, op 28 mei 2002 aan [appellant 2] dat hij Benelux Trust net aan de lijn heeft gehad en dat, indien zij voor vrijdag geen bericht ontvangen, zij de zetel zullen opzeggen. [appellant 2] reageert per e-mail van 30 mei 2002 met de mededeling: ‘
Mij is verteld dat de stukken uiterlijk volgende week bij jou zullen zijn’. Uit productie 204 van de Staat c.s. volgt dat [appellant 2] vervolgens op 31 mei 2002 aan onder meer de gebroeders [naam 1] schrijft:
vandaagper koerier te worden verstuurd aan:
I will meet with the UBO first week of September, currently on holidays, and will ask him to transer funds as requested.’ In vervolg hierop schrijft [naam 5] op 1 oktober 2002 aan [appellant 2] : ‘
We could not trace receipt of funds on the bank account. Did you had any success ?’ Hierop antwoordt [appellant 2] de dag erna, voor zover hier van belang: ‘
I have not met with the client yet, I will do so shortly’. Productie 210 van de Staat c.s. sluit hierop aan. Dit betreft een e-mail van 2 juli 2003 aan [appellant 2] waarin [naam 5] meldt in [plaats 3] overleg te willen voeren inzake Marsannay over ‘
accounting, banking, corporate, invoices, directors agreement, management agreement en others’. Naar eigen zeggen van [appellant 1] en [appellant 2] krijgt [naam 5] hierop geen antwoord en spreekt hij daarom rechtstreeks af met [naam 2] in [plaats 4] en bespreekt hij met hem de gang van zaken in Marsannay. Dit leidt, aldus nog steeds naar eigen zeggen van [appellant 1] en [appellant 2] , tot een verzoek om een van AmiLux te ontvangen factuur door te berekenen aan een ‘
operational company’ van [naam 2] (9.1.23 van hun memorie van grieven). Deze gang van zaken sluit weer aan bij de inhoud van de onder 3.26 hiervoor vermelde e-mail van [naam 5] aan [appellant 2] van 13 augustus 2003: ‘
Please be informed that I have met [naam 2] last week in [plaats 5] and discussed the pending matters (…) He informed us to use the invoicing route that has been used in the past (…).’ [appellant 2] heeft aan deze herfacturering meegewerkt, aldus nr. 45 van de akte van 10 augustus 2021 van [appellant 1] en [appellant 2] .
substance’ (lees: omstandigheden om de vestigingsplaats te duiden). Alle hiervoor genoemde omstandigheden wijzen naar [naam 1] – en dus naar Nederland – en niet naar een Luxemburgs trustkantoor als degene die feitelijk als bestuurder het beleid van Marsannay heeft bepaald. Of Marsannay daarnaast nog elders belastingplichtig was, is niet van belang (zie tevens onder 5.60 hiervoor). Zelfs als dat het geval was, diende Marsannay aan de Nederlandse fiscus verantwoording af te leggen (door het op uitnodiging doen van aangifte vennootschapsbelasting en, bij het uitblijven van een dergelijk uitnodiging, door daar om te verzoeken) en zich zo nodig op de toepassing van een belastingverdrag te beroepen. Overigens is gesteld noch gebleken dat Marsannay in enig ander land aangifte vennootschapsbelasting (of een buitenlands equivalent daarvan) heeft gedaan.
woonadresvan [naam 1] in Nederland gestuurd. Alleen al daaruit volgt dat het voor alle betrokkenen duidelijk was wie waar de werkelijke eindverantwoordelijkheid droeg.
Marsannay’ vetgedrukt vermeld stond. Deze brief zat volgens hen in de administratie van Mubavi. Uit dit een en ander leiden zij af dat er niets is verhuld en dat hen daarvan dus ook geen (persoonlijk) ernstig verwijt treft.
Ik zou het niet weten.’
back-to-back’ facturering (en derhalve door toedoen van Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] ) Marsannay lange tijd verborgen kunnen houden voor de Belastingdienst. Verhaal bleek niet meer mogelijk nadat Marsannay door de Belastingdienst was ontdekt. Deze schade was voorzienbaar. Het voorgaande rechtvaardigt het oordeel dat onrechtmatig jegens de Belastingdienst is gehandeld, op de grond dat mede door toedoen van Tradman NL, [appellant 1] en [appellant 2] inning van de navorderingsaanslag 1996 niet meer mogelijk is.
allesaan deden wat redelijkerwijs van hen kon worden verlangd om ervoor te zorgen dat zij niet betrokken raakten bij het verhullen van het bestaan van Marsannay voor de Belastingdienst of van de omstandigheid dat Marsannay binnenlands belastingplichtig was in Nederland. Dat hebben zij niet gedaan en daarvan kan elk van hen (persoonlijk) een ernstig verwijt worden gemaakt.
niet ondergeschikt punt’ onjuist is. Bij een afzonderlijke behandeling van deze grief hebben de Staat c.s. echter geen belang. Dit komt doordat het geding ten aanzien van de vorenbedoelde vennootschappen al definitief is afgedaan. Een behandeling van deze grief kan ook voor Marsannay of Kooilust/Fenchurch niet tot andere beslissingen leiden dan in dit arrest verwoord.
het leek te gaan om een bloeiende onderneming, terwijl het verdienmodel hoofdzakelijk neerkwam op (vormen van fiscaal) vampirisme’.
fair balance.
nieuw’ te benoemen. Zij dienen hun memories gelijktijdig te nemen;
6.Beslissing
27 augustus 2024voor memorie aan de zijde van de Staat c.s. als bedoeld onder 5.155 hiervoor,