De verdachte werd beschuldigd van witwassen van een geldbedrag van €8.950,-, bestaande uit €5.950,- contant aangetroffen en €3.000,- overgemaakt naar een rekening. Het hof beoordeelde of het handelen van de verdachte viel onder het verbergen of verhullen zoals bedoeld in artikel 420bis Sr.
Uit het onderzoek bleek dat het enkele voorhanden hebben van contant geld en het overmaken van een bedrag naar een bankrekening niet voldoende is om te spreken van doelgericht verbergen of verhullen van de herkomst van het geld. Het hof stelde vast dat er geen reeks handelingen was die het spoor aan de waarneming onttrokken en dat er geen aanwijzingen waren voor economische ongrond.
Daarom kon het hof niet tot een bewezenverklaring komen van het tenlastegelegde feit en sprak het de verdachte vrij. Het hof hoefde daardoor niet te oordelen over de criminele herkomst van het geld of de wetenschap van de verdachte hierover.
Ten aanzien van het inbeslaggenomen geld werd gelast dit terug te geven aan de verdachte. De aangetroffen passen en creditcards, die niet op naam van de verdachte stonden, werden gelast bewaard te blijven ten behoeve van de rechthebbende.
Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 10 oktober 2024.