ECLI:NL:GHAMS:2024:2968

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 oktober 2024
Publicatiedatum
23 oktober 2024
Zaaknummer
200.337.569/02
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing wrakingsverzoek in hoger beroep wegens vermeende vooringenomenheid afgewezen

In deze zaak betreft het een wrakingsverzoek van de verdachte in hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland waarbij hij is veroordeeld voor het opzettelijk onttrekken van een minderjarige aan het wettig gezag en mishandeling.

De verdachte stelde dat de raadsheren vooringenomen waren omdat hij niet opnieuw mocht worden gehoord over de feiten en zijn persoonlijke omstandigheden, en dat het gelijkheidsbeginsel niet correct werd toegepast. De raadsheren ontkenden vooringenomenheid en gaven aan dat de verdachte voldoende gelegenheid had gekregen om zijn standpunten te uiten.

De wrakingskamer oordeelde dat de weigering om de verdachte opnieuw te horen voortkomt uit de regels van het strafprocesrecht, aangezien het onderzoek ter terechtzitting reeds was gesloten. Het verzoek tot wraking was grotendeels een herhaling van een eerder afgewezen verzoek, waardoor het niet-ontvankelijk werd verklaard. Tevens werd vastgesteld dat het wrakingsmiddel werd misbruikt om de procedure te vertragen.

De wrakingskamer besloot het wrakingsverzoek ongegrond te verklaren voor het overige en bepaalde dat toekomstige wrakingsverzoeken in deze zaak niet in behandeling worden genomen.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk voor zover het een herhaling betreft en ongegrond voor het overige; toekomstige wrakingsverzoeken worden niet in behandeling genomen.

Uitspraak

GeRechtshof Amsterdam

zaaknummer : 200.337.569/02
zaaknummer hoofdzaak : 23-003155-21
Beslissing van de wrakingskamer van 3 oktober 2024
op het wrakingsverzoek ingediend door
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
hierna: verzoeker.

1.De procedure

1.1.
De hoofdzaak betreft het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 16 november 2021, waarbij verzoeker is veroordeeld voor het opzettelijk onttrekken van een minderjarige aan het wettig over hem gesteld gezag en mishandeling.
1.2.
Verzoeker heeft op 3 oktober 2024 op de terechtzitting van dit hof in de hoofdzaak mondeling de wraking verzocht van de raadsheren mrs. N.R.A. Meerbeek, M.J.A. Duker en D. Greven (hierna gezamenlijk: de raadsheren).
1.3.
Mr. Duker heeft namens de raadsheren schriftelijk gereageerd op het verzoek tot wraking.
1.4.
Het wrakingsverzoek is op 3 oktober 2024 door de wrakingskamer in het openbaar behandeld. Op de zitting waren aanwezig:
- verzoeker, bijgestaan door mr. J.J.C. Engels, advocaat te Heerhugowaard;
- mr. R.H. Limburg, advocaat-generaal.
De raadsheren zijn, met bericht, niet verschenen.

2.Het wrakingsverzoek en de standpunten daarover

2.1.
De gronden van het wrakingsverzoek blijken uit het proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige strafkamer van 3 oktober 2024. De verzoeker heeft het wrakingsverzoek op de zitting van de wrakingskamer toegelicht.
Verzoeker vindt ten eerste dat de raadsheren vooringenomen zijn omdat zij hem op de terechtzitting van 3 oktober 2024 niet hebben gehoord inzake de omstandigheden en de voorgeschiedenis die hebben geleid tot de feiten waarvan hij wordt verdacht en over zijn beperkingen.
Ten tweede stelt verzoeker dat hij antwoord wil hebben op de vraag waarom de grondwet jegens hem niet op correcte wijze wordt toegepast. Hij beroept zich daarmee op het gelijkheidsbeginsel. Mondeling heeft hij toegelicht dat hij noch tijdens de mondelinge behandeling van 31 januari 2024 noch op 3 oktober 2024 voldoende gelegenheid heeft gekregen om de omstandigheden te bespreken waaronder een en ander is gebeurd en dat de raadsheren niet voldoende hebben doorgevraagd, waarmee zij blijk hebben gegeven van partijdigheid.
2.2.
De raadsheren hebben in hun schriftelijke reactie meegedeeld dat zij niet in het verzoek tot wraking berusten. Samengevat vinden de raadsheren dat zij gedurende de behandeling van de zaak voldoende oog hebben gehad voor de (persoonlijke) omstandigheden van verzoeker en dat zij hem voldoende gelegenheid hebben gegeven zijn gevoelens en argumenten naar voren te brengen. Zij herkennen zich niet in hetgeen verzoeker aan zijn verzoek ten grondslag legt. Tevens hebben de raadsheren de wrakingskamer verzocht in overweging te nemen te bepalen dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen, nu zij, mede gezien het eerdere verzoek, de indruk hebben dat verzoeker volhardend is in de wens de zaak opnieuw te laten behandelen, en daar het middel van de wraking voor misbruikt.
2.3.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek en heeft verzocht dat de wrakingskamer bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen.

3.De beoordeling

Juridisch kader
3.1.
Artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering houdt in dat op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Deze bepaling is ook van toepassing op de raadsheren die het hoger beroep behandelen.
Beoordeling in deze zaak
3.2.
De wrakingskamer is van oordeel dat de eerste wrakingsgrond niet tot wraking kan leiden. De beslissing van de raadsheren om verzoeker niet meer te horen op de terechtzitting van 3 oktober 2024 ligt besloten in de regels van het strafprocesrecht. Het onderzoek ter terechtzitting was immers al gesloten op de terechtzitting van 31 januari 2024. Op die terechtzitting is de verdachte gehoord. Het onderzoek ter terechtzitting is vervolgens op 14 februari 2024 uitsluitend heropend, en onmiddellijk geschorst, om het eerste – na de inhoudelijke behandeling ingediende – wrakingsverzoek van verzoeker te behandelen. Dat wrakingsverzoek is bij beslissing van 13 maart 2024 ongegrond verklaard. Het hof hervatte daarna op 3 oktober 2024 het onderzoek ter terechtzitting in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de schorsing van het onderzoek op 14 februari 2024. Dit houdt in dat de raadsheren verzoeker niet nog een keer hoefden te horen en enkel het onderzoek ter terechtzitting (opnieuw) gesloten diende te worden. Uit deze gang van zaken kan dus geen vooringenomenheid van de gewraakte raadsheren blijken, waardoor dit deel van het wrakingsverzoek ongegrond wordt geacht.
3.3.
De overige aangevoerde gronden zijn in de kern gelijk aan de gronden die in het eerdere wrakingsverzoek tegen dezelfde raadsheren zijn aangevoerd. De wrakingskamer heeft bij voornoemde beslissing van 13 maart 2024 dit eerdere verzoek afgewezen. Een hernieuwd wrakingsverzoek op dezelfde gronden, van dezelfde raadsheren, is niet mogelijk. Daarom kan verzoeker voor het overige niet in het wrakingsverzoek worden ontvangen.
3.4.
Mede gezien het eerdere verzoek tot wraking, dat heeft geleid tot vertraging van de procedure, is de wrakingskamer van oordeel dat verzoeker met dit tweede verzoek – grotendeels ingediend op basis van dezelfde gronden als het eerste verzoek – het middel van wraking gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven. Verzoeker wilde namelijk bewerkstelligen dat hij in zijn strafzaak opnieuw het woord zou mogen voeren. Dat is misbruik van het middel van wraking. De wrakingskamer zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in deze zaak, niet in behandeling zal worden genomen.

4.De beslissing

De wrakingskamer
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk voor zover het wrakingsverzoek een herhaling vormt van het eerder in deze zaak gedane wrakingverzoek;
verklaart het verzoek tot wraking voor het overige ongegrond;
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek n deze zaak niet in behandeling zal worden genomen.
Deze beslissing is gegeven door mr. J.F. Aalders, mr. J. Piena en mr. E.M. de Stigter, in tegenwoordigheid van mr. R.J. den Arend als griffier en in het openbaar uitgesproken op
3 oktober 2024.
De oudste raadsheer is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.