Op grond van de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting kan het volgende worden vastgesteld over de gang van zaken. Er hebben in 2017 reeds onderhandelingen plaatsgevonden, met name in het kader van de ontnemingszaak. Deze hebben niet tot resultaat geleid. Bij vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 19 juli 2021 zijn de verdachten veroordeeld. In de zaak [verdachte E] is bovendien op 10 december 2021 een ontnemingsvonnis gewezen, waarbij de vordering van de officier van justitie geheel is afgewezen.
In de appelfase hebben in de periode september 2021 tot december 2022 onderhandelingen plaatsgevonden. Onder de op 8 december 2022 verstrekte stukken bevindt zich een verslag van een gesprek van 29 juni 2022 waarbij aanwezig waren enkele vertegenwoordigers van het Openbaar Ministerie alsmede de raadslieden van de drie vennootschappen en van [verdachte C], [verdachte A] en [verdachte B]. Vervolgens heeft via e-mail communicatie plaatsgevonden over mogelijke afspraken tussen medewerkers van het ressortsparket, de advocaat-generaal en soms de officier van justitie enerzijds en de raadslieden van [verdachte A] en [verdachte B] anderzijds. Daarbij zijn in een enkel geval, doch niet met regelmaat, de raadslieden van de overige verdachten door middel van een afschrift betrokken. Uit de stukken die aan het hof zijn overgelegd blijkt niet dat deze laatsten op enig e-mailbericht hebben gereageerd. Voor zover vanuit het Openbaar Ministerie, voor het hof kenbaar, e-mailberichten zijn verzonden waarbij alle raadslieden geadresseerden waren, betrof het telkens de voor ieder van hen gelijkluidende mededeling dat lopende onderhandelingen geheel of gedeeltelijk waren afgebroken (e-mailberichten van 13 september en 2 november 2022) dan wel dat er inhoudelijke overeenstemming was met de verdediging van [verdachte A] en [verdachte B] (een e-mailbericht van 17 november 2022).
De interesse van de verdediging blijkt in het kader van het verweer ook te zijn uitgegaan naar contacten van het ressortsparket met het hof of met de toenmalige voorzitter van de zittingscombinatie. Daarover blijkt uit de processtukken het volgende. De advocaat-generaal heeft op 19 mei 2022 mondeling aan die voorzitter meegedeeld dat er werd gesproken over procesafspraken. Eind november 2022 heeft de parketsecretaris, naar aanleiding van een vraag van het hof over de te verwachten regiebrief over de onderzoekswensen, aan de griffier laten weten dat er verkennende gesprekken plaatsvonden met het oog op te maken procesafspraken.
De onderhandelingen laten, zo blijkt uit de overgelegde e-mailwisseling, een aanzienlijke dynamiek zien. Met name rondom de dagen waarop overleg plaatsvond dan wel zou plaatsvinden, was sprake van intensief e-mailverkeer waarin standpunten werden herhaald, herzien of prijsgegeven. Er werd soms gesteld dat nader overleg niet zinvol zou zijn maar ook werden weer uitnodigingen gedaan tot voortzetting van (in een enkel geval afgebroken) overleg. De standpunten van partijen lagen in de periode juni tot en met oktober 2022 ver uiteen, erin resulterend dat het Openbaar Ministerie op 2 november 2022 aan alle raadslieden heeft laten weten dat de onderhandelingen met de raadsman van [verdachte B] vruchteloos waren gebleven, met als gevolg dat alle strafzaken wat de advocaat-generaal betreft op de reguliere wijze zouden worden behandeld. Met name in de weken daarna was zeer snel sprake van aanzienlijke convergentie.
Op 17 november 2022 stuurde de toenmalig raadsman van [verdachte A], [voormalig raadsman], een bericht aan het Openbaar Ministerie, met afschrift aan alle raadslieden, met de volgende inhoud.
“
Inmiddels begreep ik van mr. Soeteman dat hij namens zijn client [verdachte B] alsnog akkoord is gegaan met het laatste voorstel van het OM zodat er ook in deze zaak sprake is van overeenstemming omtrent procesafspraken.
Alles overziend betekent dit dat nog zal moeten worden overlegd met de overige verdachten (vennootschappen en [D]). Ik verwacht dat deze partijen verder geen bijzondere wensen naar voren zullen brengen.
Hiervan uitgaande is de vraag wat de volgende stappen zijn. Het lijkt mij dat het gerechtshof, gelet op de naderende regiedatum, in ieder geval op de hoogte dient te worden gebracht over het gegeven dat partijen procesafspraken hebben gemaakt welke in een later stadium zullen worden voorgelegd aan het gerechtshof. In dit verband stel ik voor dat wij het gerechtshof direct erover te informeren dat wat betreft partijen (OM en verdediging) de zitting van januari 2023 een pro forma karakter kan krijgen en er een nadere inhoudelijke datum gepland kan worden voor de zomer 2023.”
Uit de het hof ter beschikking staande stukken blijkt niet dat hierop door één van de raadslieden is gereageerd. Daaruit kan worden geconcludeerd dat, nu geen enkel andersluidend bericht door de raadslieden is verzonden, de betrokkenen er in elk geval geen bezwaar tegen hadden dat het hof op de hoogte zou worden gesteld van het feit dat er werd gewerkt aan procesafspraken.
Uit een e-mailbericht van het Openbaar Ministerie aan alle raadslieden van diezelfde datum blijkt dat, gelet op de volgende inhoud, eveneens. “
Het Openbaar Ministerie is op dit moment bezig de procesafspraken vast te leggen in conceptovereenkomsten. Die overeenkomsten hopen wij zo snel mogelijk aan u allen te kunnen toesturen. Als die overeenkomsten akkoord zijn bevonden, dan zal het OM deze definitief maken en dan zal AG Develing in contact treden met de voorzitter om kenbaar te maken dat OM en verdediging procesafspraken hebben gemaakt en dat beide partijen die procesafspraken graag tijdens de regiezitting van 13 januari a.s. aan het hof ter bespreking willen voorleggen.”
Later is gebleken dat de concept-schikkingen ex artikel 511c Sv niet op instemming konden rekenen. Er waren enkele nevenafspraken aan toegevoegd die volgens de betrokken raadslieden niet waren besproken. Toen op 13 december 2022 de nieuwe raadsman van [verdachte A], mr. De Jong, zich stelde bleek ook hij kort daarna niet met de afspraken, waaronder ook de procesafspraken in de strafzaak van zijn cliënt, in te kunnen stemmen.
De handelwijze van de advocaat-generaal: beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging
Het hof stelt vast dat alle documenten die op 8 december 2022 aan het hof zijn verstrekt betrekking hebben op de precontractuele fase van de procesafspraken. Dat geldt vanzelfsprekend voor de e-mailcorrespondentie. De procesafspraken zelf waren niet ondertekend, wat tot dezelfde vaststelling leidt. Procesafspraken houden in dat procespartijen een gezamenlijk afdoeningsvoorstel doen aan de rechter. Dit karakter impliceert reeds dat de concept-procesafspraken, zoals opgesteld in deze zaken, niet ter kennis van de rechter hadden mogen worden gebracht.
Voor de ontnemingsschikkingen geldt overigens een ander regiem. Deze worden uitsluitend getroffen in eerste aanleg en hoeven niet aan de rechtbank te worden overgelegd. De mededeling van de officier van justitie aan de rechtbank dat een schikking tot stand is gekomen en dat de veroordeelde aan de termen ervan heeft voldaan, volstaat om, in het geval van een reeds ingediende vordering, de ontnemingsprocedure van rechtswege te doen eindigen. In het licht van de gevoerde onderhandelingen, waarbij de straf- én ontnemingszaken van alle verdachten in Offside als “één pakket” zijn behandeld, is het niet onbegrijpelijk dat de concept-afspraken ook als een onlosmakelijk geheel zijn beschouwd. Maar het zijn andere gronden, ontleend aan het ontnemingsrecht als zodanig, waarop de zittingsrechter in het algemeen en die in appel in het bijzonder niet als geadresseerde van de concept-schikkingen had mogen worden aangemerkt.
Naar het oordeel van het hof is voldoende komen vast te staan dat de advocaat-generaal de stukken heeft ingebracht in de veronderstelling dat hij op 8 december 2022 in de positie was om het te doen. Achteraf is al vrij snel duidelijk geworden dat dit niet het geval was. Er valt, ook in het licht van de zich toen langzamerhand uitkristalliserende praktijk van procesafspraken en de destijds heersende juridische inzichten, geen legitimatie aan te verschaffen. Documenten die zijn gewisseld tijdens onderhandelingen zijn naar hun aard vertrouwelijk. Waar het om de procesafspraken zelf gaat wordt de stand van zaken in de e-mail van [voormalig raadsman] van 17 november 2022 gereflecteerd: het hof diende, in verband met de naderende regiezitting waarop een zeer groot aantal verzoeken van de verdediging aan de orde zou zijn, te worden geïnformeerd dát er over procesafspraken werd gesproken. Tegen dit voorstel blijkt noch door de advocaat-generaal, noch door de raadslieden, bezwaar te zijn gemaakt. Een mededeling van deze strekking is in de tweede helft van november 2022 gedaan door de parketsecretaris. In de aangehaalde e-mail van de parketsecretaris, namens de advocaat-generaal, eveneens van 17 november 2022, wordt meegedeeld dat, als de overeenkomsten “akkoord zijn bevonden”, het Openbaar Ministerie deze “definitief” zal maken. Daarna zou de advocaat-generaal in contact treden met de voorzitter van het hof met het oog op bespreking van de procesafspraken tijdens de regiezitting van 13 januari 2023.
Op grond van deze gang van zaken kan worden geconcludeerd dat één van de beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging, te weten het vertrouwensbeginsel, is geschonden. Het gerechtvaardigde vertrouwen aan de zijde van de verdediging is deels intrinsiek verbonden met de
aardvan de correspondentie, voor zover gevoerd in het kader van de onderhandelingen. Daarnaast kon het vertrouwen dat de concept-afspraken niet zouden worden ingebracht redelijkerwijs worden gebaseerd op de
inhoudvan die correspondentie.
Het hof merkt op dat in dit geval eveneens sprake is geweest van een aanzienlijke mate van onzorgvuldigheid. Het gaat bij enkele verdachten om omvangrijke strafzaken, bovendien gerelateerd aan ontnemingsprocedures waarin het gaat om enkele tientallen miljoenen euro’s. Onderhandelen vereist dan zeer strakke regie, met als centrale vraag of iedereen nog aan boord is, zeker in de fase waarin de rechter in het voorstel tot afdoening van de zaken moet gaan worden betrokken. Daaraan heeft het, toen het na 17 november 2022 stil bleef, ontbroken. Van die onzorgvuldigheid is, in het licht van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen, evenwel niet gebleken bij de mededeling van het Openbaar Ministerie aan een medewerker van het hof, later in november 2022, dát er over procesafspraken werd gesproken. Van partijen in een procedure mag worden verlangd dat zij de rechter tijdig informeren over relevante kwesties die (het verloop van) de procedure raken.
Na deze beoordeling keert het hof terug naar het verweer.