ECLI:NL:GHAMS:2024:3029
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Toekenning vergoeding rechtsbijstand na sepot in diefstalzaak op gronden van billijkheid
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar verzoek tot vergoeding van kosten rechtsbijstand in verband met een strafzaak en de daaropvolgende verzoekschriftprocedure. De zaak betrof een opsporingsonderzoek naar diefstal of verduistering, dat werd beëindigd met een voorwaardelijk sepot. Appellante ontkende steeds het plegen van een strafbaar feit en verklaarde dat zij een gevonden bril wilde afgeven, maar deze per ongeluk heeft meegenomen en vergeten.
De rechtbank had het verzoek tot vergoeding afgewezen omdat appellante het aan zichzelf te wijten zou hebben dat zij onderwerp was van het onderzoek, aangezien de schade met de aangeefster was geregeld. Het hof overwoog dat op grond van artikel 534 Sv Pro vergoeding op gronden van billijkheid kan worden toegekend, waarbij de onschuldpresumptie uit het EVRM een belangrijke rol speelt. Deze vereist dat de motivering van de vergoeding niet mag impliceren dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt.
Gezien het sepot en de ontkenning van schuld acht het hof gronden van billijkheid aanwezig om de vergoeding toe te kennen. Het hof vernietigde de eerdere beschikking en kende een vergoeding toe van in totaal € 2.230 voor kosten van rechtsbijstand in de strafzaak en de verzoekschriftprocedure.
De beschikking is uitgesproken door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam op 29 oktober 2024 en bevat een bevel tot onmiddellijke betaling van het bedrag aan appellante.
Uitkomst: Het hof kent een vergoeding van € 2.230 toe voor kosten rechtsbijstand na een sepot in een diefstalzaak.