Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2024:3029

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
29 oktober 2024
Publicatiedatum
30 oktober 2024
Zaaknummer
000506-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 534 SvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning vergoeding rechtsbijstand na sepot in diefstalzaak op gronden van billijkheid

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar verzoek tot vergoeding van kosten rechtsbijstand in verband met een strafzaak en de daaropvolgende verzoekschriftprocedure. De zaak betrof een opsporingsonderzoek naar diefstal of verduistering, dat werd beëindigd met een voorwaardelijk sepot. Appellante ontkende steeds het plegen van een strafbaar feit en verklaarde dat zij een gevonden bril wilde afgeven, maar deze per ongeluk heeft meegenomen en vergeten.

De rechtbank had het verzoek tot vergoeding afgewezen omdat appellante het aan zichzelf te wijten zou hebben dat zij onderwerp was van het onderzoek, aangezien de schade met de aangeefster was geregeld. Het hof overwoog dat op grond van artikel 534 Sv Pro vergoeding op gronden van billijkheid kan worden toegekend, waarbij de onschuldpresumptie uit het EVRM een belangrijke rol speelt. Deze vereist dat de motivering van de vergoeding niet mag impliceren dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt.

Gezien het sepot en de ontkenning van schuld acht het hof gronden van billijkheid aanwezig om de vergoeding toe te kennen. Het hof vernietigde de eerdere beschikking en kende een vergoeding toe van in totaal € 2.230 voor kosten van rechtsbijstand in de strafzaak en de verzoekschriftprocedure.

De beschikking is uitgesproken door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam op 29 oktober 2024 en bevat een bevel tot onmiddellijke betaling van het bedrag aan appellante.

Uitkomst: Het hof kent een vergoeding van € 2.230 toe voor kosten rechtsbijstand na een sepot in een diefstalzaak.

Uitspraak

beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummer(s): 000506-24 (530 Sv)
parketnummer in eerste aanleg: 15-279443-20
Beschikking op het hoger beroep tegen de beslissing van de raadkamer van de rechtbank Noord-Holland van 20 maart 2023 op het verzoekschrift op de voet van de artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1972,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. C.J. Berghout,
Raamweg 1, 2596 HL Den Haag.

1.Procesverloop

Het hoger beroep is op 20 april 2023 ingesteld door verzoeker (hierna appellant).
Op 14 augustus 2024 heeft de advocaat-generaal het standpunt van het Openbaar Ministerie kenbaar gemaakt.
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 15 oktober 2024 de advocaat-generaal, appellante en de advocaat van appellante ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord.

2.Inhoud van het verzoek

Het verzoek - zoals aangevuld in raadkamer in hoger beroep onder c - strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer ten bedrage van € 1.210,00;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in eerste aanleg en in hoger beroep ten bedrage van € 680,00;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in hoger beroep ten bedrage van € 340,00.

3.Beoordeling

Het hoger beroep is tijdig ingesteld.
De advocaat-generaal heeft in zijn standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen aansluiting gezocht bij de rechtbank die heeft geoordeeld dat appellante het aan zichzelf te wijten heeft dat zij onderwerp is geworden van een opsporingsonderzoek naar diefstal of verduistering dat heeft geresulteerd in een voorwaardelijk sepot, omdat zij de schade met aangeefster heeft geregeld
Ingevolge het bepaalde in artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Dit betekent enerzijds dat bij verzoeken op de voet van de artikelen 530 en 533 Sv als uitgangspunt vergoeding plaatsvindt, maar anderzijds dat het de rechter vrij staat op gronden van billijkheid vergoeding achterwege te laten of slechts gedeeltelijk toe te kennen. Deze oordeelsvrijheid wordt begrensd door de onschuldpresumptie zoals (ook) neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De onschuldpresumptie verlangt dat – ongeacht de aard van de aan de strafzaak gekoppelde procedure en ongeacht de vraag of de strafprocedure is geëindigd met een vrijspraak dan wel een sepot – de motivering van het oordeel in de gekoppelde procedure (in casu: de onderhavige verzoekschriftprocedure) niet alsnog neerkomt op het uiten van de mening dat hij of zij zich schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van een strafrechtelijke norm en daarmee aan het plegen van een strafbaar feit (EHRM (GK) 11 juni 2024, appl. nos. 32483/19 & 35049/19, Nealon & Hallam t. het Verenigd Koninkrijk).
Appellante heeft verklaard dat zij de bril van aangeefster onbeheerd in de sportschool zag liggen, deze bij de balie wilde afgeven maar dat de balie vanwege corona-maatregelen niet bemenst was, waarna zij de bril naar huis heeft meegenomen en deze vervolgens is vergeten. Zij ontkent uitdrukkelijk een strafbaar feit te hebben gepleegd.
Het hof stelt vast dat de zaak tegen appellante is geëindigd met een sepot en dat appellante steeds heeft ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan een strafbaar feit. Het hof acht, in het licht van het hiervoor genoemde toetsingskader en mede gelet op de omstandigheid dat de schuld van verzoekster uitdrukkelijk is weersproken, gronden van billijkheid aanwezig om het verzoek toe te kennen.
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de strafzaak ten bedrage van € 1.210,00.
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 1.020,00.

4.Beslissing

Het hof:
Vernietigt de beschikking waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Wijst het verzochte toe.
Kent op de voet van artikel 530 Sv Pro aan appellant een vergoeding toe van € 2.230,00 (tweeduizend tweehonderddertig euro).
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.M.P. Geelhoed, M.J.A. Duker en J.H. van der Werff, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 29 oktober 2024.
De voorzitter beveelt:
de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 2.230,00 (tweeduizend tweehonderddertig euro) op bankrekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. Stichting Beheer Derdengelden Advocatenkantoor Stille Veerkade o.v.v. [ovv].
Amsterdam, 29 oktober 2024,
mr. A.M.P. Geelhoed, voorzitter.