In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter in de strafzaak tegen de verdachte bevestigd, met uitzondering van de opgelegde straffen die het hof vernietigde en opnieuw bepaalde. De zaak betrof het onttrekken van een minderjarige aan het wettig gezag en mishandeling van een medewerker van een gezinsinstelling.
De verdediging voerde aan dat er ten tijde van het feit geen contactverbod bestond tussen de verdachte en zijn zoon, maar het hof stelde vast dat er wel degelijk een contactverbod van kracht was, opgelegd door de kinderrechter tot 7 januari 2022. De verdachte wist hiervan en handelde in strijd met dit verbod door zijn zoon tegen diens wil mee te nemen. Ook het duwen van het slachtoffer, waardoor deze pijn leed, werd bewezen verklaard.
Het hof hield rekening met de ernst van de feiten, de impact op het slachtoffer en de recidive van de verdachte. Gelet op jurisprudentie en oriëntatiepunten voor strafoplegging legde het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand op met een proeftijd van twee jaar, waarbij de verdachte reeds een taakstraf uitvoert. Het hof achtte een onvoorwaardelijke taakstraf niet passend en bevestigde het vonnis voor het overige.
De strafoplegging is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 279 en 300 van het Wetboek van Strafrecht. Het arrest is uitgesproken op 17 oktober 2024 door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam.