Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2024:3251

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 november 2024
Publicatiedatum
26 november 2024
Zaaknummer
23-000379-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis medeplegen invoer cocaïne ondanks verweer psychische overmacht

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Noord-Holland bevestigd waarin verdachte werd veroordeeld voor het medeplegen van het opzettelijk binnen Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne. Verdachte voerde verweer dat zij geen wetenschap had van de drugs in de koffer en dat zij onder dwang en bedreiging handelde, waaronder verkrachting en bedreiging van haar kinderen.

Het hof stelde vast dat verdachte al vóór het inchecken van de koffer op de luchthaven op de hoogte was van de aanwezigheid van cocaïne. Verdachte had vrijwillig ingestemd met het vervoer van de koffer tegen betaling en had gedurende de reis contact met de opdrachtgever, zonder dat hieruit angst of dwang bleek. Het verweer van gebrek aan bewijs en psychische overmacht werd daarom verworpen.

Het hof verving de bewijsoverweging en de gebruikte bewijsmiddelen, met het oog op een eventueel cassatieberoep, maar bevestigde het vonnis. De gedragingen van verdachte werden als opzettelijk beschouwd, en er was onvoldoende aannemelijk dat zij onder zodanige druk stond dat zij geen weerstand kon bieden.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 26 november 2024.

Uitkomst: Het hof bevestigt de veroordeling van verdachte voor medeplegen van het opzettelijk invoeren van cocaïne ondanks verweer van psychische overmacht.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000379-24
datum uitspraak: 26 november 2024
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlemmermeer) van 14 februari 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-300976-23 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1991,
thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [detentieadres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 juli 2024 en 12 november 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof de bewijsoverweging zal vervangen en dat de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen worden vervangen door de bewijsmiddelen die na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in een op te maken aanvulling op dit arrest.

Bewijsoverweging en bespreking van verweren

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs, omdat zij tot op het moment dat het haar in het hotel werd verteld, geen wetenschap had van de verdovende middelen in de koffer. Zij was ingegaan op het voorstel van een man die zij [naam 1] noemt, om een koffer met ‘importproducten’ mee te nemen naar Nederland. Later werd haar verteld dat het zou gaan om één kilo drugs. Toen de verdachte weigerde hieraan mee te werken, werd zij verkracht en bedreigd, welke bedreiging met name zag op het vermoorden van haar familie, specifiek haar kinderen. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat door deze specifieke omstandigheden een geslaagd beroep kan worden gedaan op de schulduitsluitingsgrond psychische overmacht, hetgeen zou moeten leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging.
Het hof overweegt als volgt.
Ter terechtzitting in hoger beroep op 12 november 2024 heeft de verdachte verklaard dat zij – op aanraden van haar vriendin [naam 2] – contact had opgenomen met [naam 1], die haar kon helpen met haar financiële problemen. Toen de verdachte contact opnam met deze [naam 1] vertelde hij haar dat zij de koffer van zijn neef, gevuld met importartikelen, mee op een vlucht naar Amsterdam moest nemen en dat zij daar ongeveer 5.000 Braziliaanse real voor zou krijgen, omgerekend € 3.000,00. De verdachte heeft dit voorstel geaccepteerd, opdat zij de situatie van haar zieke zoon kon verbeteren en ervoor kon zorgen dat hij de benodigde operatie kon ondergaan. Zij vertrouwde op hetgeen [naam 1] haar vertelde. Voorafgaand aan de vlucht had de verdachte een afspraak met [naam 1] in een hotel gemaakt om de koffer te bekijken. Daar was een blanke man aanwezig, die haar vervolgens heeft verkracht en bedreigd. Uiteindelijk mocht de verdachte de koffer niet bekijken, is haar verteld dat er één kilo drugs in zou zitten en dat zij de koffer naar Amsterdam zou moeten vervoeren. Vervolgens is de verdachte onder dreiging van een vuurwapen en met de mededeling dat – als zij zou weigeren – haar kinderen iets zou worden aangedaan, naar het vliegveld gebracht. Daar heeft zij de koffer met daarin de drugs ingecheckt en heeft zij het vliegtuig naar Amsterdam genomen. Eerder, ter terechtzitting bij het hof op 25 juni 2024, heeft de verdachte eveneens verklaard dat zij de koffer voor 5.000 Braziliaanse real naar Amsterdam moest brengen, wetende dat daar één kilo drugs in zat. De verdachte heeft verklaard in eerdere verklaringen te hebben gelogen uit angst voor [naam 1] en de blanke man.
Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt verworpen. Op grond van de eigen verklaring van de verdachte staat vast dat zij al vóór het inchecken van de koffer op het vliegveld in Brazilië, op de hoogte was gebracht van de aanwezigheid van cocaïne in die koffer. Uit het desondanks inchecken van de koffer op haar vlucht richting Nederland, volgt dat zij opzet had op de invoer van cocaïne in Nederland.
Ook het verweer strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging wordt verworpen. Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat de gedraging niet aan de verdachte te verwijten valt, omdat zij handelde onder een zo grote van buiten komende druk dat zij daar absoluut geen weerstand aan kon bieden. Immers volgt uit de verklaring van de verdachte dat zij vrijwillig akkoord is gegaan met het vervoer van een koffer naar Nederland, tegen betaling van omgerekend € 3.000,00. Voorts heeft zij gedurende de reis berichten uitgewisseld met [naam 1], waarbij zij het verloop van de reis bespraken. Uit dat berichtenverkeer komt niet naar voren dat de verdachte bang was voor [naam 1] of kort daarvoor nare ervaringen met hem had gehad. Integendeel lijkt haar toon hartelijk (“Ik ga boarden, dag! Ga met God.”) en vraagt ze [naam 1] of hij met niemand wil praten, “ook niet met [naam 2]”. Dat de verdachte tussen het instemmen met het vervoer van de koffer en de daadwerkelijke reis, door verkrachting en bedreiging onder druk is gezet om de reis te ondernemen, vindt aldus (en ook overigens) op geen enkele manier steun in het dossier.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N. van der Wijngaart, mr. E. van Die en mr. A.M.M.E. Doekes - Beijnes, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Damo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 november 2024.
De oudste raadsheer en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.