De verdachte werd op 1 mei 2023 bij verstek veroordeeld door de politierechter in de rechtbank Amsterdam. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in, maar pas op 19 juni 2023, waarmee het hoger beroep te laat werd ingediend. De verdediging voerde aan dat de termijnoverschrijding verontschuldigbaar was omdat de raadsvrouw geen afschrift van de dagvaarding had ontvangen, waardoor zij en de verdachte niet op de hoogte waren van de zitting.
Het hof oordeelde dat de dagvaarding rechtsgeldig elektronisch aan de verdachte was betekend op 6 april 2023, en dat de wettelijke termijn van veertien dagen na de uitspraak van 1 mei 2023 strikt in acht genomen moest worden. De jurisprudentie van de Hoge Raad werd hierbij betrokken, waaruit blijkt dat het niet toezenden van een afschrift aan de raadsvrouw niet leidt tot verontschuldigbaarheid van de termijnoverschrijding.
Daarom concludeerde het hof dat er geen bijzondere omstandigheden waren die de overschrijding rechtvaardigden. Het gevolg was dat de verdachte niet-ontvankelijk werd verklaard in het hoger beroep, waarmee het hoger beroep werd afgewezen zonder inhoudelijke behandeling van de zaak.