ECLI:NL:HR:2007:BB6401

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
03346/06
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • A.J.A. van Dorst
  • H.A.G. Splinter-van Kan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 2 Wegenverkeerswet 1994Art. 432 lid 1 aanhef en onder a SvArt. 51 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 6 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens te late indiening ondanks procedurele bezwaren

De verdachte werd in hoger beroep door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld voor overtreding van artikel 8 tweede Pro lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, met een geldboete en ontzegging van de rijbevoegdheid.

Het cassatieberoep van de verdachte werd ingesteld op 11 oktober 2006, terwijl de dagvaarding voor de terechtzitting van het Hof op 21 juli 2006 aan hem persoonlijk was betekend. Hierdoor was het beroep niet tijdig ingediend volgens artikel 432, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering.

De verdediging voerde aan dat het verzuim te wijten was aan het niet toezenden van een afschrift van de dagvaarding aan de toenmalige raadsvrouwe, in strijd met artikel 51 Sv Pro. De Hoge Raad oordeelde echter dat dit geen reden was om het beroep alsnog ontvankelijk te verklaren.

De Hoge Raad verklaarde de verdachte daarom niet-ontvankelijk in het cassatieberoep en bevestigde daarmee het arrest van het Hof.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de verdachte niet-ontvankelijk wegens te late indiening.

Uitspraak

27 november 2007
Strafkamer
nr. 03346/06
KM/RR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 juli 2006, nummer 22/000745-06, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Rotterdam van 24 januari 2006 - de verdachte ter zake van "overtreding van artikel 8 tweede Pro lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een geldboete van € 700,- subsidiair veertien dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie maanden. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier maanden.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. J.J.A.P. van Breukelen en mr. A.M. Seebregts, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het beroep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Blijkens de stukken is het beroep in cassatie ingesteld op 11 oktober 2006, zodat de verdachte - nu de dagvaarding om ter terechtzitting van het Hof van 21 juli 2006 te verschijnen aan hem in persoon is betekend - ingevolge art. 432, eerste lid aanhef en onder a, Sv in het beroep niet kan worden ontvangen. Dat het verzuim om tijdig cassatieberoep in te stellen - naar in de cassatieschriftuur wordt gesteld - is gelegen in de omstandigheid dat aan de toenmalige raadsvrouwe van de verdachte in strijd met art. 51 Sv Pro niet een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep is gezonden, dwingt niet tot een ander oordeel.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 27 november 2007.