ECLI:NL:HR:2007:BB6401
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- A.J.A. van Dorst
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens te late indiening ondanks procedurele bezwaren
De verdachte werd in hoger beroep door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld voor overtreding van artikel 8 tweede Pro lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, met een geldboete en ontzegging van de rijbevoegdheid.
Het cassatieberoep van de verdachte werd ingesteld op 11 oktober 2006, terwijl de dagvaarding voor de terechtzitting van het Hof op 21 juli 2006 aan hem persoonlijk was betekend. Hierdoor was het beroep niet tijdig ingediend volgens artikel 432, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering.
De verdediging voerde aan dat het verzuim te wijten was aan het niet toezenden van een afschrift van de dagvaarding aan de toenmalige raadsvrouwe, in strijd met artikel 51 Sv Pro. De Hoge Raad oordeelde echter dat dit geen reden was om het beroep alsnog ontvankelijk te verklaren.
De Hoge Raad verklaarde de verdachte daarom niet-ontvankelijk in het cassatieberoep en bevestigde daarmee het arrest van het Hof.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de verdachte niet-ontvankelijk wegens te late indiening.