ECLI:NL:GHAMS:2024:3508
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Wijziging onderhoudsbijdragen jongmeerderjarigen en meerderjarigen bij verwijtbaar inkomensverlies
De zaak betreft een hoger beroep over de wijziging van onderhoudsbijdragen voor twee jongmeerderjarige kinderen en een inmiddels meerderjarig kind. De man en vrouw zijn in 2012 een geregistreerd partnerschap aangegaan dat in 2019 is ontbonden. De man is strafrechtelijk veroordeeld en heeft sindsdien een sterk verminderd inkomen. De onderhoudsbijdragen waren eerder vastgesteld, maar de man betwistte zijn draagkracht en stelde dat rekening moest worden gehouden met zijn werkelijke inkomen en verwijtbaar inkomensverlies.
Het hof beoordeelde de gewijzigde omstandigheden en stelde vast dat de draagkracht van de man lager is dan eerder aangenomen, mede door zijn strafrechtelijke veroordeling en detentie. Het hof rekende met een fictief inkomen van €57.038 bruto per jaar, waarbij het netto besteedbaar inkomen werd berekend en de draagkracht werd vastgesteld met inachtneming van 95% van de bijstandsnorm. De onderhoudsbijdragen werden aangepast naar €208 per maand per kind tot 1 maart 2025 en daarna €455 per maand per kind.
Daarnaast werd vastgesteld dat de vaststellingsovereenkomst een derdenbeding bevat ten gunste van het meerderjarige kind, zodat deze aanspraak kan maken op studiekostenbijdrage zolang hij studeert. De proceskosten werden ieder voor eigen rekening gelaten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het hof stelt de onderhoudsbijdragen voor de jongmeerderjarige kinderen lager vast en erkent het derdenbeding ten gunste van het meerderjarige kind.