ECLI:NL:GHAMS:2024:3664

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 december 2024
Publicatiedatum
22 januari 2025
Zaaknummer
23-001721-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359a SvWegenverkeerswet 1994Art. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne in auto ondanks verweer onrechtmatige doorzoeking

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter waarin verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne in een auto die hij bestuurde. De zaak betrof een controle op 19 november 2021 waarbij in de auto van verdachte cocaïne werd aangetroffen.

De verdediging voerde aan dat de doorzoeking van de auto onrechtmatig was en dat dit tot bewijsuitsluiting moest leiden. Tevens werd betoogd dat verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van de cocaïne, waardoor het vereiste opzet ontbrak. Het hof verwierp deze verweren. Er was geen sprake van détournement de pouvoir en zelfs bij een onrechtmatige doorzoeking zou dit niet tot bewijsuitsluiting leiden omdat verdachte geen concreet nadeel had ondervonden.

Het hof oordeelde dat verdachte als bestuurder en gebruiker van de auto, die deze al vier weken in gebruik had, geacht moest worden te weten welke spullen zich daarin bevonden. Er waren geen bijzondere omstandigheden die dit vermoeden konden weerleggen. Het hof bevestigde daarom het vonnis van de politierechter en veroordeelde verdachte voor het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne in de auto.

Uitkomst: Het hof bevestigt de veroordeling van verdachte voor het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne in de auto.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001721-23
datum uitspraak: 24 december 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 6 juni 2023 in de strafzaak onder parketnummer
15-066545-22 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
12 december 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen uitwerkt en aanvult en een nadere bewijsoverweging opneemt.
Nadere bewijsoverweging
De verdediging heeft in hoger beroep het verweer herhaald dat sprake is geweest van een onrechtmatige doorzoeking van de auto, hetgeen tot bewijsuitsluiting van de daarbij aangetroffen cocaïne moet leiden. De verdachte moet daarom worden vrijgesproken van het ten laste gelegde aanwezig hebben van cocaïne. Het hof begrijpt dat de verdediging hiermee stelt dat sprake is geweest van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek zoals bedoeld in artikel 359a Sv. Anders dan de raadsman heeft bepleit, is het hof van oordeel dat op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat de verbalisanten hun controlebevoegdheid op grond van de Wegenverkeerswet 1994 voor een ander doel hebben gebruikt dan waarvoor deze is gegeven (détournement de pouvoir). Verder overweegt het hof in aanvulling op de overwegingen van de politierechter, die het hof overneemt, dat zelfs indien de doorzoeking van de auto wél onrechtmatig zou zijn geweest, dit volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad niet tot bewijsuitsluiting zou hebben geleid nu gesteld noch gebleken is dat de verdachte daarvan concreet nadeel heeft ondervonden. In dit verband verdient opmerking dat het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, niet kan worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang.
Ten aanzien van het standpunt van de verdediging dat de verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van de cocaïne in de auto en dat derhalve het vereiste opzet ontbreekt, overweegt het hof dat de verdachte op 19 november 2021 de bestuurder en enige inzittende was van de auto. Hoewel die auto op naam van een autoverhuurbedrijf stond, was die auto volgens de verklaring van de verdachte al vier weken bij hem in gebruik. Als algemene ervaringsregel geldt dat de bezitter/gebruiker van een auto weet welke spullen zich in die auto bevinden, behoudens bijzondere omstandigheden. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is naar het oordeel van het hof geen sprake. Het hof verwijst in dit verband naar de overwegingen van de politierechter alsmede de omstandigheid dat de geldbundel zichtbaar was en de verhuurder heeft verklaard dat de auto voor verhuur steeds gereinigd wordt en er dan specifiek naar plekken als de handrem wordt gekeken. Het verweer wordt derhalve verworpen.
Bewijsmiddelen
1.
Een proces-verbaal van bevindingen van 20 november 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, dossierpagina’s 005-007.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de
verklaring van de verbalisanten of één van hen:
Op 19 november 2021 zagen wij, verbalisanten, een zwarte Volkswagen Polo voorzien van kenteken [kenteken]. Bij navraag in de voor ons beschikbare politiesystemen zagen wij dat de ten naam gestelde van het voertuig betrof: [BV] B.V.
Voertuig
Wij zagen dat de bestuurder van het voertuig zijn voertuig stilhield op De Volger in De Rijp. De bestuurder van het voertuig bleek ons te zijn:
*** [verdachte] geboren [geboortedag]-1997 te [geboorteplaats] ***
Ik, verbalisant, zag in de voor mij beschikbare politiesystemen dat [verdachte] op 02-10-2021 om 04.50 uur in dit zelfde voertuig was gecontroleerd als bestuurder. Ik vroeg [verdachte] of hij vaker ditzelfde voertuig huurde. Wij verbalisanten hoorden [verdachte] zeggen: 'Ja, ik ben er (een) paar maandjes terug ook in gecontroleerd en ik verleng het huurcontract telkens.'
Doorzoeken vervoermiddel
Ik, verbalisant, zag in de loze ruimte in het middenconsole een opgerold pakketje met briefgeld en een transparante sealbag met hierin circa 20 gevulde opgevouwen witte envelopjes.
2.
Een proces-verbaal van bevindingen van 22 november 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, dossierpagina 012.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de
verklaring van de verbalisant:
Ik stelde de verdachte [verdachte] de volgende vraag.
V: Op de huurovereenkomst staat dat jij het voertuig voor een periode van 19 november 2021 tot 26 november 2021 huurt. Klopt dat?
A: Ja, maar ik heb het voertuig al langer. Ik denk inclusief deze week 4 weken.

3.Een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming van

20 november 2021, dossierpagina’s 024-026.

Deze kennisgeving houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Inbeslagneming
Plaats : De Volger, De Rijp, gemeente Alkmaar
Datum : 19 november 2021
Omstandigheden : aangetroffen in het voertuig dat bestuurd werd door de beslagene.
Beslagene
Achternaam : [verdachte]
Voornamen : [verdachte]
Geboren : [geboortedag] 1997
Volgnummer
Goednummer : PL1100-2021241537-1317288
Object : verdovende middelen (cocaïne, crack)
Aantal : 24 stuks
4.
Een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 18 januari 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, dossierpagina’s 041-044.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de
verklaring van de verbalisanten of één van hen:
Op 17 januari 2022 werd door de Forensische Opsporing een onderzoek ingesteld in verband met een vermoedelijke overtreding van de Opiumwet aan een hoeveelheid vermoedelijk verdovende middelen die aan ons ter beschikking is gesteld door de afdeling sporenbeheer van de Forensische Opsporing Eenheid Noord-Holland.
De aangeboden partij verdovende middelen bestond uit:
Goednummer : PL1100-2021241537-1317288
SIN : AAPJ4498NL
Aantal : 24
Alvorens over te gaan tot het onderzoeken van deze vermoedelijke verdovende middelen, zijn deze voorzien van een SIN. Alle unieke goednummers zijn afzonderlijk bemonsterd.
Sporendrager
Goednummer : PL1100-2021241537-1317288
SIN : AAPJ4498NL
Relatie met SIN : AAOS4450NL
Gewicht netto : 18,02 gram
Monster
SIN : AAOS4450NL
Relatie met SIN : AAPJ4498NL
Bijzonderheden : monster 3
Indicatieve test van monster: positief voor cocaïne

5.Een geschrift, zijnde een NFI-rapport d.d. 17 januari 2022, dossierpagina 45.

Dit geschrift houdt in - voor zover van belang - :
BESLISSING
Het hof bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.E. Dijkers, mr. A.P.M. van Rijn en mr. S. Jongeling, in tegenwoordigheid van
mr. L.M. van Leeuwen en mr. H. Bakker, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 december 2024.
De griffier mr. H. Bakker is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.