In hoger beroep bevestigde het Gerechtshof Amsterdam dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ontucht met een jongen van negen jaar oud. De handeling bestond uit het onverhoeds aanraken van de bilnaad van het kind in een supermarkt, zonder enige relatie tussen hen.
Het hof verving de bewijsoverweging van de politierechter en oordeelde dat de gedraging naar objectieve maatstaven als ontuchtig moet worden aangemerkt. Tegelijkertijd stelde het hof vast dat verdachte door cognitieve beperkingen en een posttraumatische stressstoornis verminderd toerekeningsvatbaar is, waardoor het feit slechts in verminderde mate aan hem kan worden toegerekend.
De strafoplegging werd aangepast: het hof legde een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand op met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis. Hierbij werd rekening gehouden met de ernst van het feit, de impact op het slachtoffer en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter voor wat betreft strafbaarheid en strafoplegging, bevestigde het verder en deed in zoverre opnieuw recht. De uitspraak is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 247 Sr.