Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
,200.315.569/02 en 200.315.615/01
1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
2.De beschikking van 20 juni 2023
3.De verzoeken in hoger beroep
subsidiairte bepalen dat de vrouw met ingang van 1 augustus 2022 uit hoofde van het uitsluitend gebruik van de woning te [plaats B] een gebruiksvergoeding verschuldigd is aan de man van 865,12 per maand;
4.De verdere beoordeling in hoger beroep
“wij lossen een kwart van de hypotheekschuld af door middel van een Spaarbankhypotheek. Onze spaarinleg is nu €472,21.”wijst erop dat de man zelf ook ervan uitging dat het saldo op de bankspaarrekening aan partijen gezamenlijk toekwam. Het hof acht niet aannemelijk dat de man over “onze inleg” schreef omdat partijen voor dat moment ieder een periode de inleg hadden voldaan. Als de man daadwerkelijk van mening was dat het spaardeel alleen aan hem toekwam, had het meer voor de hand gelegen als hij had geschreven dat
hijeen kwart van de hypotheekschuld afloste en dat
zijninleg € 472,21 bedroeg (cursivering hof). Het hof gaat ervan uit dat sprake is van een (al dan niet stilzwijgende) afspraak dat de man ten behoeve van partijen een storting op de bankspaarrekening deed, waar tegenover stond dat de vrouw een (relatief) hoger bedrag op de en/of rekening stortte. Het voorgaande brengt mee dat het hof de beslissing van de rechtbank op dit punt zal bekrachtigen en het verzoek om een verrekening van de spaarpremies zal afwijzen.