Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2024:466

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 februari 2024
Publicatiedatum
4 maart 2024
Zaaknummer
200.334.105/02
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 360 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing uitvoerbaarheid zorgregeling na echtscheiding tot beslissing bodemzaak

Partijen zijn in 2019 gehuwd en hun huwelijk is op 30 november 2023 ontbonden. Zij zijn gezamenlijk gezagdragers over hun minderjarige kind, geboren in 2020. De rechtbank bepaalde de hoofdverblijfplaats bij de moeder en stelde een zorgregeling vast waarbij de vader geleidelijk contact met het kind zou krijgen.

De moeder kwam in hoger beroep tegen deze beschikking en verzocht om schorsing van de uitvoerbaarheid van de zorgregeling totdat de bodemzaak is beslist. De vader verzocht dit te weigeren. Tijdens de zitting bleek dat het kind de vader de afgelopen twee jaar niet heeft gezien en hem niet kent. Alle partijen erkenden het belang van contactherstel.

Het hof besloot de schorsing toe te wijzen en verwees partijen naar het Uniform Hulpaanbod voor begeleiding bij contactherstel en ouderschap na scheiding. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de schorsing geldt tot de beslissing in de hoofdzaak.

Uitkomst: De uitvoerbaarheid van de zorgregeling wordt geschorst totdat in de bodemzaak is beslist.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.334.105/02
zaaknummer rechtbank: C/13/719840/FA RK 22-4167
Beschikking van de meervoudige kamer van 13 februari 2024
in de zaak van
[de moeder],
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in het incident,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. S. Salhi, gevestigd te Rijswijk,
en
[de vader],
wonende te [plaats B] ,
verweerder in het incident,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. D. Abd Rabou, gevestigd te Den Haag.
Het hof heeft als (overige) belanghebbende in deze zaak aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] (verder te noemen: [minderjarige] ), geboren [in] 2020 te [plaats B] .
In zijn adviserende taak is bij de procedure betrokken:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag,
locatie: [plaats B] ,
verder te noemen: de raad.

1.Het verloop van de procedure bij de rechtbank

Het hof verwijst voor het verloop van de procedure bij de rechtbank naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 2 augustus 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2. De procedure in hoger beroep
2.1
De moeder is op 1 november 2023 in hoger beroep gekomen van bovengenoemde beschikking van 2 augustus 2023 (zaken met zaaknummers 200.334.105/01 en 200.334.106/01). Daarbij heeft zij verzocht om de werking van die beschikking te schorsen voor zover het betreft de zorgregeling voor [minderjarige] (zaak met zaaknummer: 200.334.105/02).
2.2
De vader heeft op 23 december 2023 een verweerschrift in het incident ingediend.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 26 januari 2024 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door de heer V. Aelbers.

3.De feiten

3.1
Partijen zijn [in] 2019 te [plaats B] met elkaar gehuwd. Hun huwelijk is op 30 november 2023 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank van 2 augustus 2023 (de bestreden beschikking) in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
Partijen hebben beiden de Nederlandse en de Afghaanse nationaliteit.
3.2
Partijen zijn de ouders van [minderjarige] . Zij oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .
3.3
Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken en is de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder bepaald. Verder is bepaald dat de moeder huurster zal zijn van de woning aan de [A-straat] te [plaats A] en dat de vader met ingang van 7 juli 2022 € 131,- per maand aan kinderalimentatie aan de moeder zal betalen. Tot slot is er een beslissing genomen over de verdeling van het huwelijkse vermogen (zaak met zaaknummer 200.334.106/01).

4.De omvang van het geding

4.1
Bij de bestreden beschikking is, uitvoerbaar bij voorraad en voor zover hier van belang, de volgende zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] bepaald:
- gedurende de eerste drie maanden, te rekenen vanaf de datum van de bestreden beschikking, verblijft [minderjarige] iedere zaterdag van 12.00 uur tot 17.00 uur bij de vader;
- gedurende de vierde en de vijfde maand verblijft [minderjarige] om het weekend op zaterdag en zondag van 12.00 tot 17.00 uur bij de vader;
- vanaf de zesde maand zal [minderjarige] bij de vader verblijven om het weekend van zaterdag 12.00 uur tot zondag 17.00 uur, dus met overnachting, onder de voorwaarde dat de vader een geschikte woning heeft waar een aparte slaapkamer voor [minderjarige] is;
- Eerste Kerstdag verblijft [minderjarige] bij de vader, Tweede Kerstdag verblijft [minderjarige] bij de moeder;
- in de oneven jaren verblijft [minderjarige] tijdens het Suikerfeest bij de vader;
- in de even jaren verblijft [minderjarige] tijdens het Offerfeest bij de vader;
- vanaf 2024 zullen partijen de vakanties en feestdagen gaan delen en dan verblijft [minderjarige] dus de helft van de vakanties en feestdagen bij de vader, door partijen zelf in onderling overleg te verdelen.
4.2
De moeder verzoekt in het incident de werking van de bestreden beschikking ten aanzien van de daarin bepaalde zorgregeling, te schorsen, totdat is beslist in de hoofdzaak.
4.3
De vader verzoekt in het incident het schorsingsverzoek van de moeder af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Het hof overweegt als volgt. Hoger beroep schorst de werking van een beschikking, tenzij deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid 2 Rv Pro kan het hof, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen. Daarbij moeten – kort samengevat – de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Bij die afweging moet worden uitgegaan van de bestreden beschikking en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het hoger beroep in beginsel buiten beschouwing.
5.2
Op de zitting in hoger beroep van 26 januari 2024 is gebleken dat er de afgelopen twee jaar geen contact is geweest tussen [minderjarige] en de vader. [minderjarige] was erg jong toen ze haar vader voor het laatst heeft gezien en weet op dit moment niet wie hij is. Op de zitting in hoger beroep is verder gebleken dat alle partijen het erover eens zijn dat van groot belang is voor [minderjarige] dat er weer contact komt tussen haar en de vader. Het hof heeft met de ouders besproken dat zij zullen gaan deelnemen aan een hulpverleningstraject uit het Uniform Hulpaanbod voor contactherstel tussen [minderjarige] en de vader, omgangsbegeleiding en om hulp bij de vormgeving van het ouderschap na scheiding te krijgen. De ouders hebben op de zitting hun toestemming verleend voor de verwijzing naar het sociaal team van de gemeente [plaats A] voor verdere doorgeleiding naar de hulpverlening. De verwijzing zal heden plaatsvinden in de hoofdzaak (zaak met zaaknummer 200.334.105/01).
5.3
Het hof ziet gelet op voornoemde omstandigheden en het belang van [minderjarige] , dat is gediend bij hulp en steun aan de ouders alvorens zij weer contact met haar vader kan hebben, aanleiding om het verzoek van de moeder tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking waar het de zorgregeling betreft, toe te wijzen.
5.4
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.Beslissing

Het hof:
schorst de werking van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 2 augustus 2023 voor zover het de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken betreft, totdat is beslist in de hoofdzaak (zaaknummer 200.334.105/01);
verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M.C. Louwinger-Rijk, M.F.G.H. Beckers en
M.E. Burger, bijgestaan door mr. V.A.M. Willemsen als griffier, en is op 13 februari 2024 uitgesproken in het openbaar door de voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier.