ECLI:NL:GHAMS:2024:478

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
5 maart 2024
Publicatiedatum
5 maart 2024
Zaaknummer
200.333.372/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 809 lid 1 en 2 RvArt. 1:449 lid 2 BWArt. 1:432 lid 1 en 2 BWArt. 1:391 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing onderbewindstelling wegens wegvallen noodzaak bij betrokkene met Fragiele-X-syndroom

Betrokkene, geboren in 1978 en gediagnosticeerd met het Fragiele-X-syndroom, was onder bewind gesteld wegens zijn geestelijke toestand. De ouders, tevens bewindvoerders, kwamen in hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter die het bewind had ingesteld.

De onderbewindstelling was aanvankelijk ingesteld om betrokkene in te schrijven voor een uithuisplaatsing bij de Prinsenstichting, waarvoor bewind noodzakelijk was. Na de onderbewindstelling bleek dat betrokkene werd doorverwezen naar een andere stichting, Odion, waarvoor geen bewind vereist was. De ouders betoogden dat het bewind een extra administratieve last vormde en niet langer noodzakelijk was, aangezien zij de financiën al jaren zonder problemen beheerden.

Het hof oordeelde dat betrokkene onvoldoende in staat is zijn wil kenbaar te maken, maar dat het horen van betrokkene te belastend zou zijn. Gezien de omstandigheden en het feit dat de financiën op orde zijn en geen schulden bestaan, achtte het hof de noodzaak voor het bewind komen te vervallen. Het hof vernietigde daarom de beschikking voor zover het bewind vanaf heden werd ingesteld en hief het bewind op, terwijl het voor de periode tot aan heden bekrachtigd bleef.

Uitkomst: Het hof heft het bewind op over de goederen van betrokkene omdat de noodzaak voor onderbewindstelling niet langer bestaat.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.333.372/01
zaaknummer rechtbank: 10558861 BM VERZ 23-1536 MCO
beschikking van de meervoudige kamer van 5 maart 2024 in de zaak van

1.[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

2. [de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,
beiden wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoekers in hoger beroep,
hierna gezamenlijk ook te noemen: de ouders,
advocaat: mr. I.E. van der Bijl te Amsterdam.
Als overige belanghebbenden in deze zaak zijn aangemerkt:
- [betrokkene] (hierna te noemen: de betrokkene);
- [de zus] (hierna te noemen: de zus);
- [de broer] (hierna te noemen: de broer).

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Zaanstad, van 19 juli 2023 (hierna te noemen: de kantonrechter), uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De ouders zijn op 10 oktober 2023 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 19 juli 2023.
2.2
Bij bericht van 4 november 2023 heeft de zus kenbaar gemaakt geen verweerschrift in te dienen.
2.3
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een bericht van de zijde van de ouders van 10 november 2023, met een bijlage;
- een bericht van de zijde van de ouders van 12 december 2023, met bijlagen.
2.4
De mondelinge behandeling heeft op 1 februari 2024 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de vader en de moeder, bijgestaan door hun advocaat;
- de zus.
De vader en de zus zullen hierna gezamenlijk ook worden genoemd: de bewindvoerders.

3.De feiten

3.1
Betrokkene is geboren [in] 1978 te [plaats B] . Hij is gediagnostiseerd met het Fragiele-X-syndroom.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter de goederen, die (zullen) toebehoren aan de betrokkene onder bewind gesteld wegens zijn geestelijke of lichamelijke toestand, met benoeming van de vader en de zus tot bewindvoerders.
4.2
De vader en de moeder verzoeken, met vernietiging van de bestreden beschikking, hun inleidende verzoek, inhoudende de goederen die (zullen) toebehoren aan de betrokkene onder bewind te stellen en een bewindvoerder te benoemen, alsnog af te wijzen, althans te bepalen dat het bewind over de goederen van de betrokkene wordt opgeheven.

5.De motivering van de beslissing

Horen van betrokkene
5.1
Op grond van artikel 809 lid 2 in Pro verbinding met lid 1 van dit artikel van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) beslist de rechter niet dan na de betrokkene in de gelegenheid te hebben gesteld zijn mening kenbaar te maken. In eerste aanleg is betrokkene niet gehoord en in hoger beroep is hij niet ter zitting verschenen. Het hof ziet geen aanleiding om betrokkene opnieuw op te roepen teneinde hem alsnog te horen. Gelet op de inhoud van de stukken is het hof van oordeel dat genoegzaam is gebleken dat betrokkene onvoldoende in staat is om zijn wil kenbaar te maken ten aanzien van de geschilpunten die aan het hof zijn voorgelegd. Daarbij komt dat de vader en de moeder voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat het horen van de betrokkene te belastend voor hem is en gepaard gaat met veel spanning. Het hof ziet daarom af van het horen van de betrokkene.
Wettelijk kader
5.2
Op grond van artikel 1:449 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter het bewind opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de bewindvoerder of van degene die gerechtigd is de onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 lid 1 en Pro 2 BW, dan wel ambtshalve.
De standpunten
5.3
De ouders stellen – kort samengevat – dat de kantonrechter de goederen die (zullen) toebehoren aan betrokkene ten onrechte onder bewind heeft gesteld. In elk geval bestaan er volgens de ouders thans geen gronden meer voor de onderbewindstelling van betrokkene. Het bewind brengt veel werkzaamheden met zich mee die tot aan het moment van de onderbewindstelling niet uitgevoerd hoefden te worden. De tijd die daarmee is gemoeid kan beter aan betrokkene zelf besteed worden. Betrokkene woont vanaf zijn geboorte bij de ouders en zij hebben de financiën van betrokkene al vanaf zijn achttiende levensjaar zelf, zonder problemen, beheerd en zij zullen dat blijven doen.
De zus, tevens bewindvoerder, heeft zich bij het standpunt van de ouders aangesloten.
De beoordeling
5.4
Voor zover de ouders stellen dat de kantonrechter ten onrechte tot onderbewindstelling is overgegaan en hun inleidend verzoek dus alsnog moet worden afgewezen, verwerpt het hof dat standpunt. Hetgeen hierna zal worden overwogen neemt niet weg dat dat de gronden voor de door de ouders zelf verzochte onderbewindstelling ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren. Aan het hof ligt tevens de vraag voor of het bewind kan worden opgeheven omdat de noodzaak van het bewind thans niet meer bestaat dan wel voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het hof genoegzaam gebleken dat de noodzaak voor het bewind thans niet meer bestaat. Betrokkene is gediagnosticeerd met het Fragiele-X-syndroom en hij functioneert verstandelijk op een beperkt niveau. Hij wordt al zijn hele leven door zijn ouders verzorgd en begeleid en ook zijn financiën worden door hen beheerd.
De goederen van de betrokkene zijn op verzoek van de ouders onder bewind gesteld. De reden daarvoor was dat de ouders voornemens waren betrokkene, net als zijn broer [de broer] die eveneens lijdt aan het Fragiele-X-syndroom, alvast in te schrijven voor een uithuisplaatsing bij de Prinsenstichting, vanwege de lange wachtlijsten aldaar. Een vereiste voor deze inschrijving was een onderbewindstelling, hetgeen de ouders bij de kantonrechter hebben verzocht. Nadat de onderbewindstelling door de kantonrechter was uitgesproken, bleek echter dat het zorg-zwaarte-pakket VGO-4 van betrokkene niet aansloot bij hetgeen de Prinsenstichting biedt, waardoor betrokkene werd doorverwezen naar een andere stichting, Odion. Voor een aanmelding bij deze stichting bleek een onderbewindstelling niet nodig te zijn.
Zoals ook blijkt uit de brief van de zus van 5 augustus 2023 aan het bewindsbureau van de rechtbank (productie 6 bij het beroepschrift), zorgt het bewind - in combinatie met de intensieve zorg die de ouders hebben voor hun beide zoons – voor een moeilijke thuissituatie. De bewindvoering zorgt voor een extra administratieve last, terwijl is gebleken dat de financiën van betrokkene op orde zijn en ook altijd op orde zijn geweest, er geen schulden zijn (maar juist veel geld is gespaard en belegd) en er voldoende overzicht is over de inkomsten- en uitgavenpositie van betrokkene. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de noodzaak voor het bewind thans niet meer bestaat.
Het hof zal het bewind dan ook per heden opheffen en de bestreden beschikking in zoverre vernietigen. Voor zover de bestreden beschikking de (periode van) onderbewindstelling tot heden betreft, zal het hof deze bekrachtigen.
5.5
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Zaanstad, van 19 juli 2023, voor zover daarbij de goederen die betrokkene (zullen) toebehoren met ingang van heden onder bewind zijn gesteld, en opnieuw rechtdoende:
heft met ingang van heden het bewind op over de goederen die (zullen) toebehoren aan [betrokkene] , geboren [in] 1978, te [plaats B] ;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt voormelde beschikking waarvan beroep voor het overige;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in artikel 1:391 BW Pro een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Holland, locatie Zaanstad, in verband met aantekening in het centraal curatele- en bewindregister;
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.E. Buitendijk, A. van Haeringen en M.T. Hoogland, in tegenwoordigheid van mr. T.L. Prins als griffier, en is op 5 maart 2024 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.