Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
in principaal hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:
in principaal hoger beroepde vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep, althans het beroep als ongegrond af te wijzen. Hij verzoekt in incidenteel hoger beroep, na wijziging van eis, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:
subsidiairverzoekt de man het vergoedingsrecht op grond van artikel 1:87 lid 3 BW Pro te schatten op een nader door het hof te bepalen bedrag;
meer subsidiairverzoekt de man het hof te bepalen dat hem een (nominaal) vergoedingsrecht toekomt van € 22.730,79 ter zake de aflossing van de gezamenlijke lening met privévermogen ten laste van de te verdelen ontbonden huwelijksgoederengemeenschap;
in incidenteel hoger beroepde grieven van de man af te wijzen, de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, althans zijn verzoeken af te wijzen.
5.De motivering van de beslissing
goeddat in de gemeenschap valt en aldus dient te worden verdeeld, volgt het hof haar niet. Grief X in principaal hoger beroep faalt aldus. Het verzoek van de vrouw om de investering in Vital bij helfte te verdelen (petitum III sub g) zal dan ook worden afgewezen.