ECLI:NL:GHAMS:2024:757
Gerechtshof Amsterdam
- Tussenuitspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot zekerheidstelling in hoger beroep bij beslagincident
In deze civiele zaak vordert de geïntimeerde zekerheidstelling voor proceskosten van de appellant, die in hoger beroep is gekomen tegen een vonnis in kort geding over de opheffing van beslag. De geïntimeerde baseert haar vordering op artikel 224 Rv Pro, dat zekerheid kan worden verlangd van degene die een vordering instelt zonder woonplaats in Nederland.
Het hof oordeelt dat op grond van artikel 353 lid 2 Rv Pro alleen zekerheid kan worden verlangd van de partij die in eerste aanleg eiser of verzoeker was en principaal hoger beroep heeft ingesteld. De appellant, die beslagene is en in kort geding opheffing van het beslag vordert, kan niet als oorspronkelijke eiser worden aangemerkt. Het voorafgaande verzoek om beslagverlof is geen in eerste aanleg ingestelde vordering.
Daarom wijst het hof de vordering tot zekerheidstelling af. De discussie over de woon- en verblijfplaats van appellant blijft onbesproken. De kosten van het incident worden bij het eindarrest in de hoofdzaak aan de in het ongelijk gestelde partij opgelegd. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor partijberaad en verdere beslissingen worden aangehouden.
Uitkomst: De vordering tot zekerheidstelling wordt afgewezen omdat de beslagene in kort geding niet als oorspronkelijke eiser kan worden beschouwd.