ECLI:NL:GHAMS:2024:81
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geldigheid opeisingsbeding bij betalingsachterstand in kredietovereenkomst
BNP Paribas heeft een kredietovereenkomst gesloten met [geïntimeerde] waarbij algemene voorwaarden gelden die een opeisingsbeding bevatten bij een betalingsachterstand van twee maanden. De kantonrechter oordeelde dat dit beding onterecht aan maandtermijnen refereerde en verklaarde het beding nietig, waardoor de vordering werd afgewezen.
In hoger beroep stelt BNP Paribas dat de term 'maanden' moet worden uitgelegd als een tijdsperiode, niet als het aantal maandtermijnen, en verwijst naar een arrest van de Hoge Raad uit 2005 (Defam) ter onderbouwing. Het hof volgt deze redenering en overweegt dat het beding in overeenstemming is met artikel 7:77 lid 1 aanhef Pro en onder c sub 1 BW en dus niet nietig is.
Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vordering van BNP Paribas alsnog toe. De ingebrekestelling en opeising voldeden aan de wettelijke vereisten. De kosten van het geding in eerste aanleg worden aan [geïntimeerde] opgelegd, terwijl de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd. Het arrest is gewezen door de meervoudige kamer van het Gerechtshof Amsterdam op 16 januari 2024.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vordering van BNP Paribas toe wegens geldigheid van het opeisingsbeding.