Het gerechtshof Amsterdam heeft op 4 april 2024 in hoger beroep uitspraak gedaan in de strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van mishandeling van de benadeelde op of omstreeks 19 augustus 2021 in Amsterdam. Het hof vernietigde het eerdere vonnis van de politierechter en oordeelde dat, ondanks het bestaan van wettig bewijs, de overtuiging ontbrak dat verdachte de mishandeling had gepleegd.
De tenlastelegging betrof het duwen, gooien van een trap, duwen tegen het lichaam en het slaan van het hoofd van de benadeelde tegen de stoep. Het hof nam het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep in beschouwing en volgde de vordering van het openbaar ministerie tot vrijspraak, mede gesteund door het verweer van de verdediging.
De benadeelde partij had zich in eerste aanleg gevoegd met een schadevordering van in totaal €1.271,47, waarvan €1.000 immateriële schade. Hoewel in eerste aanleg een deel van deze vordering werd toegewezen, verklaarde het hof de benadeelde partij in hoger beroep niet-ontvankelijk in de schadevordering vanwege de vrijspraak van verdachte. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten.
Deze uitspraak benadrukt het belang van overtuigend bewijs voor een veroordeling en bevestigt dat bij twijfel de verdachte vrijgesproken dient te worden.