ECLI:NL:GHAMS:2024:877
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake onrechtmatige aanmaning en dwangbevel door de Ontvanger zonder schadevergoeding
In deze civiele zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen vonnissen van de rechtbank Amsterdam die zijn vorderingen tegen de Ontvanger, de Belastingdienst, afwezen. De kern van het geschil betreft het onrechtmatig verzenden van een aanmaning en een dwangbevel door de Ontvanger, terwijl appellant uitstel van betaling had gekregen voor een aanslag inkomstenbelasting 2016.
De rechtbank stelde vast dat de Ontvanger onbevoegd was tot het verzenden van deze invorderingsmaatregelen, waardoor sprake was van een onrechtmatige daad. Desondanks wees de rechtbank de gevorderde schadevergoeding af omdat appellant onvoldoende had aangetoond dat hij daadwerkelijk schade had geleden door deze onrechtmatige handelingen.
In hoger beroep bevestigt het hof deze conclusies. Het hof oordeelt dat de civielrechtelijke vorderingen niet onder het Unierecht vallen en dat de Ontvanger onrechtmatig heeft gehandeld. Echter, ook in hoger beroep heeft appellant geen concrete schade onderbouwd die voortvloeit uit de onrechtmatige aanmaning en het dwangbevel. Daarnaast wijst het hof de incidentele vordering af waarin appellant wilde laten verklaren dat het hoger beroep onder Unierecht valt.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt appellant in de proceskosten van het hoger beroep. De vorderingen tot schadevergoeding en rechtsherstel worden afgewezen wegens gebrek aan bewijs van schade en onduidelijkheid over het belang bij de gevorderde verklaringen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de schadevergoeding af wegens onvoldoende onderbouwing van schade.