Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
;
Gerechtshof Amsterdam
De vader en moeder zijn in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van 24 februari 2023 inzake de kinderalimentatie voor hun twee minderjarige kinderen. De vader verzocht om een hogere bijdrage met ingang van 1 januari 2022, terwijl de moeder incidenteel hoger beroep instelde tegen de verhoging en stelde dat de bijdrage op nihil had moeten worden gesteld vanwege ouderverstoting, met een beroep op artikel 1:399 BW Pro.
Het hof overweegt dat artikel 1:399 BW Pro niet van toepassing is op de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen, waardoor het beroep van de moeder wordt verworpen. Het hof stelt vast dat er sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden, met substantiële inkomensstijgingen bij beide ouders.
De ingangsdatum van de gewijzigde alimentatie wordt vastgesteld op 8 april 2022, in plaats van 1 april 2022 zoals eerder door de rechtbank bepaald. De behoefte van de kinderen wordt herzien, waarbij de kosten van topsport voor het jongste kind worden meegenomen, maar de kosten van tweetalig onderwijs voor het oudste kind niet als behoefteverhogend worden aangemerkt.
De draagkracht van beide ouders wordt berekend in twee periodes: van 8 april 2022 tot 31 december 2022 en vanaf 1 januari 2023, waarbij de moeder respectievelijk € 733,- en € 726,- per maand aan kinderbijdrage dient te betalen. De proceskosten worden ieder voor eigen rekening gelaten.
Uitkomst: De moeder dient vanaf 8 april 2022 en 1 januari 2023 aangepaste kinderalimentatie te betalen, waarbij het beroep op artikel 1:399 BW wordt afgewezen.