In deze civiele zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 15 april 2025 een beschikking gegeven waarin het verzoek tot verbetering en aanvulling van een eerdere beschikking van 10 december 2024 werd toegewezen.
De verbetering betrof het uitzonderen van de vernietiging van het vonnis voor zover het ging om de vergoeding voor niet genoten vakantiedagen, omdat deze vergoeding niet in hoger beroep aan het hof was voorgelegd en daarom overeind moest blijven. De aanvulling betrof het alsnog beslissen over de wettelijke verhoging van 50% die de kantonrechter in eerste aanleg had toegewezen, maar waarover het hof in hoger beroep niet had beslist.
Het hof matigde de wettelijke verhoging tot 10% van het toegewezen bruto-salaris, gelet op de omstandigheden dat de loonvordering slechts een deel van het achterstallige loon betrof en dat de vordering van de werknemer aanzienlijk hoger was. Het hof wees het meer of anders verzochte af en verklaarde de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
De beschikking werd uitgesproken door de rechters Boot, Van der Meer en Kullmann.