Het gerechtshof Amsterdam heeft op 17 april 2025 het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 29 juni 2021, waarin de betrokkene werd veroordeeld voor het telen van 352 hennepplanten en de ontnemingsvordering van €121.195,95 werd vastgesteld.
In het arrest bevestigt het hof het vonnis van de rechtbank, met vervanging van enkele overwegingen over de ontnemingsperiode. Het hof baseert de ontnemingsperiode op aanwijzingen zoals verhoogd watergebruik, vervuiling van kweekruimtes en gebruikte materialen, waarbij drie eerdere oogsten zijn meegenomen.
De raadsman voerde aan dat het watergebruik niet significant was ten opzichte van eerdere jaren, maar het hof oordeelde dat het juist een aanwijzing is voor een langere kweekperiode. Tevens constateert het hof een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep van ruim 21 maanden, maar verbindt daaraan geen gevolgen omdat dit reeds in de strafzaak is meegewogen.
Het arrest bevestigt daarmee de betalingsverplichting van de betrokkene tot afdracht van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat, met inachtneming van de aangepaste motivering en bespreking van het verweer.