Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
[bedrijf 1] B.V. Deze vennootschap houdt zich in concernverband bezig met het aan- en verkopen van (‘strategisch gelegen’) grondposities.
2 oktober 2013 tot 30 oktober 2017 een 50% aandelenbelang in [bedrijf 3] . Vanaf
30 oktober 2017 hield [bedrijf 4] een 100% belang in [bedrijf 3] . Zowel eiser als zijn echtgenote had wegens het van toepassing zijnde huwelijksgoederenregime tussen 4 oktober 2013 en
29 oktober 2019 een aanmerkelijk belang in [bedrijf 4] en een indirect aanmerkelijk belang in
[bedrijf 3] op grond van artikel 4.6, onder a, van de Wet IB 2001.
1 januari 2017 en 31 december 2017 van € 135.000 naar € 1.100.000.
€ 9.500,00
€ 10.000,00
€ 143.418,00
28 januari 2017 zal starten op het woonadres van eiser, tevens het statutaire adres van
[bedrijf 3] in [Z] .
3.Geschil in hoger beroep
4.Overwegingen van de rechtbank
De hoogte van het resultaat uit overige werkzaamheden
[bedrijf 3] verkochte percelen is evenmin in geschil. Voor de hoogte van de opbrengst van het resultaat uit overige werkzaamheden gaat de rechtbank derhalve uit van de in de akten opgenomen onvoorwaardelijke koopsommen van in totaal € 1.396.993. De stelling van eiser dat hij en zijn echtgenote in totaal gerechtigd waren tot een winst van € 380.758, kan de rechtbank niet als een betwisting van de door verweerder vastgestelde opbrengst van € 1.396.993 beschouwen, aangezien het bedrag van € 380.758 – volgens eiser – het aan eiser toekomende voordeel vertegenwoordigt na verdeling en na verkoop van de percelen aan derden, hetgeen los staat van de opbrengsten die eiser in privé heeft behaald met de verkoop van de percelen aan [bedrijf 3] . De rechtbank oordeelt daarom dat moet worden uitgegaan van de door verweerder gestelde en onderbouwde, en door eiser in zoverre niet betwiste, gerealiseerde opbrengst van € 1.396.993.
[bedrijf 3] een voordeel door eiser is behaald dat als resultaat uit overige werkzaamheden dient te worden aangemerkt. De rechtbank verwerpt het betoog van eiser, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door verweerder, dat de in de notariële akten vastgelegde verkoop van percelen door eiser aan [bedrijf 3] in civielrechtelijke of fiscaalrechtelijke zin een schijnhandeling is, waarmee bij de beoordeling geen rekening dient te worden gehouden. De rechtbank overweegt daartoe dat de notariële leveringsakten zijn afgesloten tussen eiser in persoon en [bedrijf 3] en dat dit ook strookt met de bedoeling van partijen, nu eiser heeft verklaard dat het handiger was om de verkooptransacties met derden te laten verlopen via [bedrijf 3] , maar dat de aankoop van de percelen bewust door hem privé heeft plaatsgevonden om overdrachtsbelasting te besparen. Dat eiser mededirecteur was van [bedrijf 3] verklaart naar het oordeel van de rechtbank dat eiser deze reële constructie, waarvan het doel was – zoals eiser zelf heeft verklaard – om richting potentiële kopers de illusie te wekken dat zij niet teveel betaalden, heeft kunnen opzetten. Het is dan ook geen reden om te oordelen dat aan de transacties tussen eiser en [bedrijf 3] moet worden voorbijgegaan. De rechtbank gaat uit, en ziet in de toelichting van eiser geen enkele reden om dit niet te doen, van het bestaan van de notariële akten. De stelling van eiser dat hij zich verkeerd heeft laten voorlichten door de notaris over de (fiscale) gevolgen van de constructie, kan daaraan niet afdoen. Ook de verdeling van de winst die tussen [Persoon 4] , [Persoon 2] en eiser respectievelijk hun persoonlijke holdings is afgesproken bij de verkoop van de percelen, staat los van de transacties tussen eiser en [bedrijf 3] en kan in zoverre niet afdoen aan de belastbaarheid van het voordeel dat eiser persoonlijk heeft behaald met die transacties.
5.Beoordeling van het geschil
een overtuigend aantonen) niet tot een andere uitkomst kan leiden, omdat reeds aannemelijk is geworden dat de aanslag terecht en naar het juiste bedrag is vastgesteld. Het Hof ziet derhalve eveneens hierin geen reden om het hoger beroep gegrond te verklaren.
6.Kosten
7.Beslissing
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op
www.hogeraad.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.