De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de voorzieningenrechter die aan de man vervangende toestemming heeft verleend om met de kinderen van 10 tot en met 21 april 2025 naar Israël te reizen.
De vrouw voert aan dat er een negatief reisadvies geldt voor Israël en dat zij ernstige zorgen heeft over de veiligheid van de kinderen en de verblijfplaats van de man en kinderen in Israël. Zij vreest ook een mogelijke onttrekking aan het gezag. De man betwist deze zorgen en stelt dat de accommodatie zich in een veilige plaats bevindt, niet op de Westbank, en dat hij geen intentie heeft om in Israël te blijven. Hij benadrukt de religieuze noodzaak van de reis en de goede relatie van de kinderen met Israël.
Het hof weegt de belangen af en constateert dat de zorgen van de vrouw invoelbaar zijn maar grotendeels voortkomen uit slechte communicatie en onduidelijkheid. De man heeft voldoende toegelicht waar de accommodatie is en dat contact met de kinderen mogelijk blijft. Er zijn geen aanwijzingen dat de man niet zal terugkeren. Het belang van de man en kinderen om de reeds geplande reis te maken weegt zwaarder dan de bezwaren van de vrouw.
Het hof bekrachtigt het vonnis en adviseert partijen dringend hun communicatie te verbeteren in het belang van de kinderen. De proceskosten worden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.