ECLI:NL:GHAMS:2025:1136
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- J.F. Miedema
- A.V.T. de Bie
- J.A. van Keulen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid niet-gezaghebbende vader in hoger beroep tegen verlenging uithuisplaatsing minderjarige
De zaak betreft het hoger beroep van de vader tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van zijn 15-jarige kind bij de oma van moederszijde. De vader, die geen gezag heeft en in detentie verblijft, wenst dat het kind bij zijn vriendin verblijft in plaats van bij de oma. De moeder heeft het hoger beroep bestreden en verzocht de vader niet-ontvankelijk te verklaren.
Het hof heeft onderzocht of de vader als belanghebbende kan worden aangemerkt in de zin van artikel 798 lid 1 Rv Pro, aangezien alleen belanghebbenden hoger beroep kunnen instellen. Hoewel de vader een band onderhoudt met het kind en omgang heeft, oefent hij geen gezag uit. De verlenging van de uithuisplaatsing raakt zijn rechten of verplichtingen niet rechtstreeks, omdat het contact en de omgang met het kind niet worden belemmerd.
Het hof concludeert dat de vader slechts een indirect belang heeft, omdat het kind zelf bij de vriendin van de vader wil wonen, wat onvoldoende is om als belanghebbende te worden aangemerkt. Daarom is de vader niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep en wordt de verlenging van de uithuisplaatsing bij de oma bevestigd.
Uitkomst: De vader is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de verlenging van de uithuisplaatsing van zijn kind.