In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter van 15 juli 2024 bevestigd wat betreft de bewezenverklaring van mishandeling en vernielingen, maar de strafoplegging vernietigd en opnieuw vastgesteld. De verdachte werd op 9 maart 2024 aangehouden wegens deze feiten.
De mishandeling betrof het toebrengen van pijn aan het slachtoffer en beschadiging van diens bril, plaatsvindend op de openbare weg met getuigen. De vernielingen betroffen meerdere gevallen waarbij eigendommen van derden werden beschadigd, wat materiële schade en overlast veroorzaakte.
Het hof heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals naar voren gekomen uit reclasseringsrapporten, en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Het resultaat is een gevangenisstraf van 17 dagen, gelijk aan het voorarrest, en een taakstraf van 160 uren in plaats van de eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.
Daarnaast is de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden omgezet in een taakstraf van 160 uren, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder schulden en het risico op verlies van woning en uitkering.
Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam en op 29 april 2025 uitgesproken.