Uitspraak
Onderzoek van de zaak
Vonnis waarvan beroep
- paragraaf 3.4.1 op pagina 2 van het vonnis niet overneemt en vervangt door de volgende overweging: “De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij in 2016 via een Telegram-groepsapp voor het eerst met kinderporno in aanraking is gekomen. Hij klikte op het toegestuurde materiaal, waarna het op zijn telefoon terecht is gekomen. Ook ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij voor het eerst kinderporno heeft ontvangen in 2016. Dat de verdachte vanaf 2016 kinderporno in zijn bezit heeft gehad vindt tevens steun in andere bewijsmiddelen, onder andere in een sms-bericht tussen de verdachte en ‘ [persoon] ’ van 12 februari 2016. In dit bericht fantaseren zij over seks met baby’s en extreme kinderporno, waarbij de verdachte zegt wel wat video’s te hebben. De verdachte zal voor hun date video’s verzamelen van ‘extreem jong’ en ‘hij heeft wel een video waarop een jochie van twee het uitschreeuwde, toen hij werd geneukt’. Uit dit sms-bericht leidt het hof af dat de verdachte een video had waarop is te zien dat iemand seks heeft met een jong kind. Gelet op het voorgaande gaat het hof ervan uit dat de periode start op 1 januari 2016 en eindigt op 18 februari 2019.”;
- paragraaf 7.3.4 op pagina 6 van het vonnis aanvult met de volgende overweging: “Voorts heeft het hof kennisgenomen van het rapport van de reclassering van 11 april 2025, waarin naast de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden wordt geadviseerd om aan de verdachte de bijzondere voorwaarde van het vermijden van kinderporno op te leggen.”