ECLI:NL:GHAMS:2025:1202
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- J.F. Miedema
- J.M.C. Louwinger-Rijk
- J.A. van Keulen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toewijzing huurrecht echtelijke woning aan man na echtscheiding
Deze zaak betreft het huurrecht van de echtelijke woning na de echtscheiding van partijen die ruim veertig jaar getrouwd waren. De rechtbank had bepaald dat de man huurder zou zijn van de woning vanaf het moment van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand. De vrouw kwam hiertegen in hoger beroep en verzocht tevens om schorsing van de werking van deze beslissing.
Tijdens de procedure stelde het hof vast dat beide partijen een gelijk belang hebben bij het huurrecht van de woning, mede vanwege hun leeftijd, inkomen en de overspannen woningmarkt. De jongste dochter woont nog thuis en kan bij één van haar ouders blijven wonen. De vrouw kampt met ernstige mobiliteitsklachten, terwijl de man lijdt aan een paniek-, angst- en persoonlijkheidsstoornis, wat hem minder weerbaar maakt.
Na belangenafweging oordeelde het hof dat het belang van de man iets zwaarder weegt, mede omdat de vrouw zich beter kan handhaven in een nieuwe woonsituatie. De vrouw wordt geacht voortvarend te zoeken naar andere woonruimte. Het verzoek tot schorsing van de beschikking werd afgewezen omdat het belang daarvoor was komen te vervallen. Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank en wees het hoger beroep en het incident af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking dat de man huurder blijft van de echtelijke woning en wijst het hoger beroep en het verzoek tot schorsing af.