ECLI:NL:GHAMS:2025:1293

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
15 mei 2025
Publicatiedatum
19 mei 2025
Zaaknummer
K24/230360
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 SvArt. 137c SrArt. 10 EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van het beklag wegens niet-ontvankelijkheid in klacht over niet vervolging groepsbelediging

Klaagster diende een beklag in tegen het sepotbesluit van het openbaar ministerie waarin werd besloten haar niet te vervolgen voor groepsbelediging volgens artikel 137c Sr. Het OM stelde dat vervolging werd belemmerd door artikel 10 EVRM Pro, ondanks dat klaagster zich in beginsel schuldig zou hebben gemaakt aan groepsbelediging.

Klaagster wilde met haar beklag haar onschuld aantonen en verzocht het hof het OM te dwingen de kwalificatie van groepsbelediging te herzien of zelfstandig te vervolgen. De advocaat-generaal adviseerde het hof klaagster niet-ontvankelijk te verklaren, omdat zij geen persoonlijk, objectief bepaalbaar belang heeft en het relativiteitsvereiste niet is vervuld.

Het hof oordeelde dat alleen rechtstreeks belanghebbenden in uitzonderlijke gevallen zelf vervolging kunnen verzoeken en dat klaagster niet tot die uitzonderingen behoort. Bovendien was in een eerdere, gepubliceerde uitspraak reeds geoordeeld dat de uitlatingen mogelijk niet onnodig grievend zijn, waardoor het doel van klaagster met het beklag is bereikt.

Daarom wees het hof het beklag af en verklaarde klaagster niet-ontvankelijk, waarmee de procedure werd gesloten zonder verdere rechtsmiddelen.

Uitkomst: Klaagster is niet-ontvankelijk verklaard in haar beklag tegen het sepotbesluit wegens gebrek aan rechtstreeks belang.

Uitspraak

afdeling strafrecht
beklagkamer
rekestnummer 24/230360
Beschikking op het beklag van:
[klaagster](hierna: klaagster),
woonplaats kiezende op het kantooradres van haar gemachtigden: mr. G.G.J.A. Knoops en
mr. C.J. Knoops-Hamburger, advocaten te Amsterdam.

1.Het beklag

Het hof heeft op 11 oktober 2024 het klaagschrift ontvangen. Het beklag richt zich tegen de inhoud van de sepotbeslissing van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam van 11 juli 2024.
In de sepotbeslissing is uiteengezet waarom het openbaar ministerie geen strafvervolging instelt tegen klaagster ter zake van groepsbelediging (artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr)). Het openbaar ministerie concludeert dat klaagster zich in beginsel schuldig heeft gemaakt aan groepsbelediging, maar dat artikel 10 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) aan vervolging in de weg staat.
Klaagster heeft door de genomen sepotbeslissing niet de mogelijkheid gekregen zich te verweren tegen deze conclusie van het openbaar ministerie. Klaagster is van mening dat haar uitingen geen groepsbelediging in de zin van artikel 137c Sr opleveren. Klaagster meent dat zij de kans moet krijgen haar onschuld aan te tonen. Zij kan onder meer haar uiting met feiten en cijfers onderbouwen, aldus klaagster. Klaagster verzoekt het hof om het openbaar ministerie op te dragen de kwalificatie en conclusie in de sepotbeslissing (te weten: dat zij zich
in beginselschuldig zou hebben gemaakt aan groepsbelediging) te herzien dan wel dat zelfstandig te doen bij beschikking.

2.Het verslag van de advocaat-generaal

Bij verslag van 13 maart 2025 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven klaagster niet-ontvankelijk te verklaren in het beklag. Primair omdat klaagster geen rechtstreeks belanghebbende is nu zij geen objectief, bepaalbaar, persoonlijk of kenmerkend belang heeft. Subsidiair omdat niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste – het beschermd belang van de discriminatiebepalingen beoogt niet een specifiek belang van klaagster te beschermen. Meer subsidiair stelt de advocaat-generaal dat klaagster niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat er geen belang (meer) is bij het verkrijgen van een rechterlijk oordeel over (het ontbreken van) de strafbaarheid van haar uitingen, gezien de beslissing van het hof in de zaak met klachtnummer K24/230235 (Hof Amsterdam 23 januari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:179) waarin het hof het beklag heeft afgewezen en met betrekking tot de gewraakte uitingen van klaagster heeft geoordeeld – kort gezegd – dat de strafrechter tot het oordeel zou kunnen komen dat deze uitingen niet onnodig grievend zijn. Nu deze uitspraak is gepubliceerd en dus openbaar is, bestaat er redelijkerwijs geen belang (meer) bij een toewijzing van het beklag van klaagster, aldus de advocaat-generaal.

3.De ontvankelijkheid van klaagster

Ingevolge artikel 12 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan, indien een strafbaar feit niet wordt vervolgd of de vervolging niet wordt voortgezet, de rechtstreeks belanghebbende daarover schriftelijk beklag doen bij het gerechtshof, binnen het rechtsgebied waarvan de beslissing tot niet vervolging of niet verdere vervolging is genomen.
Klaagster stelt in haar klaagschrift dat zij de kans moet krijgen haar onschuld aan te tonen. Voor zover zij hiermee heeft bedoeld vervolging van zichzelf te verzoeken, merkt het hof het volgende op. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan slechts degene die door het achterwege blijven van vervolging getroffen is in een belang dat hem bepaaldelijk aangaat worden aangemerkt als belanghebbende. Daarbij dient sprake te zijn van een objectief bepaalbaar, persoonlijk of kenmerkend belang. De procedure van artikel 12 Sv Pro staat slechts in een aantal uitzonderingsgevallen open voor klagers die vervolging van zichzelf wensen, omdat de persoon tegen wie aangifte is gedaan niet zonder meer als rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 12 Sv Pro kan worden beschouwd.
Het hof is van oordeel dat in de onderhavige zaak geen sprake is van een uitzonderingsgeval zoals hiervoor bedoeld. Klaagster beoogt met het indienen van haar klacht blijkens de inhoud van haar klaagschrift ‘haar onschuld aan te tonen’. Het hof heeft in een eerdere (gepubliceerde) beslissing geoordeeld dat de strafrechter aan wie de zaak zou worden voorgelegd tot het oordeel zou kunnen komen dat de uitlatingen niet onnodig grievend zijn. Het door klaagster beoogde doel is daarmee naar het oordeel van het hof afdoende bereikt. Door klaagster is onvoldoende gemotiveerd waarom een vervolging in deze zaak een relevant beter resultaat zou opleveren.
Het hof komt dan ook tot de conclusie dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar klacht.

4.De beslissing

Het hof wijst het beklag af.
Deze beschikking, waartegen voor betrokkenen geen rechtsmiddel openstaat, is gegeven op
15 mei 2025 door mrs. A.E. Kleene-Krom, voorzitter, C.J. van der Wilt en A.R.O. Mooy, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Damo, griffier, en -bij afwezigheid van de voorzitter en de griffier- alleen ondertekend door de jongste raadsheer.