De betrokkene werd in eerste aanleg veroordeeld voor medeplegen van het telen van 180 hennepplanten en tot betaling van €166.480,80 aan wederrechtelijk verkregen voordeel. In hoger beroep vernietigde het hof het vonnis en stelde het ontnemingsbedrag vast op €15.000.
Het hof oordeelde dat voldoende aanwijzingen bestonden dat de betrokkene zich schuldig maakte aan medeplichtigheid aan hennepteelt en dat hij hiervoor een maandelijkse vergoeding ontving. De ontnemingsperiode werd vastgesteld van 6 juli 2020 tot 15 maart 2022, een periode van twintig maanden.
Hoewel de advocaat-generaal een hoger bedrag vorderde en de verdediging een nihilstelling of een lager bedrag bepleitte, achtte het hof de verklaring van de betrokkene over een vergoeding van €550 per maand niet geloofwaardig. Het hof schatte de vergoeding op €750 per maand, wat resulteerde in het ontnemingsbedrag van €15.000.
De draagkracht van de betrokkene werd niet meegenomen in de beslissing, omdat dit in beginsel in de executiefase aan de orde is. Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 7 mei 2025.