Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep het vonnis van de politierechter vernietigd en een nieuw ontnemingsbedrag vastgesteld. Betrokkene werd veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van 332 hennepplanten en medeplichtigheid aan het telen van hennep.
De ontnemingsperiode werd vastgesteld op zeven maanden, beginnend op 12 januari 2021, gebaseerd op de vermoedelijke drie oogsten en de contractdata van huur en energie. Het hof concludeerde dat betrokkene maandelijks ongeveer €1.000 aan vergoeding ontving voor haar diensten.
De verdediging voerde aan dat onvoldoende bewijs was voor drie oogsten en dat betrokkene geen voordeel had genoten. Het hof verwierp dit en achtte de verklaring van betrokkene niet geloofwaardig gezien de omvang van de kwekerij en haar betrokkenheid.
Het hof legde de verplichting op tot betaling van €7.000 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, aanzienlijk lager dan de door het Openbaar Ministerie gevorderde €35.376.
De beslissing werd genomen door een meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 7 mei 2025.