De zaak betreft het hoger beroep van de bewindvoerder tegen een beslissing van de kantonrechter die het verzoek tot machtiging voor het doen van een schenking van €150.415 per dochter uit het vermogen van de rechthebbenden heeft afgewezen. De rechthebbenden zijn de ouders van de dochters en staan onder bewind wegens hun geestelijke en lichamelijke toestand.
De kantonrechter had toestemming gegeven voor een schenking tot het belastingvrije bedrag van €6.633 per persoon, maar niet voor het hogere bedrag. De bewindvoerder en een van de dochters zijn het hier niet mee eens en vorderen machtiging voor de hogere schenking. Het hof heeft het verzoek inhoudelijk beoordeeld en vastgesteld dat er onvoldoende sprake is van een schenkingstraditie, mede omdat het grootste deel van het vermogen van de rechthebbenden niet liquide was.
Hoewel de rechthebbenden in het verleden de intentie hadden om te schenken en de moeder dit nog steeds wenst, acht het hof dit niet voldoende om af te wijken van de hoofdregel. De omvang van de gevraagde schenking is substantieel en disproportioneel ten opzichte van het vermogen. Het hof vernietigt de bestreden beslissing op formele gronden en wijst het verzoek tot machtiging voor de hogere schenking af, maar verleent machtiging voor het belastingvrije bedrag.