In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter bevestigd, met uitzondering van de strafoplegging. De verdachte was veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken wegens het besturen van een auto terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd.
Het hof achtte de gedraging ernstig, maar nam de positieve persoonlijke omstandigheden van de verdachte mee, waaronder zijn stabiele woonsituatie, werk en medewerking aan reclasseringstoezicht. Hierdoor achtte het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf onwenselijk omdat dit de positieve ontwikkeling zou doorkruisen.
Het hof legde daarom een taakstraf van 30 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één week op, waarbij de voorwaardelijke straf gekoppeld is aan een proeftijd van twee jaar. Tevens constateerde het hof een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, maar verbond hieraan geen gevolgen.
De straf is mede bedoeld om de ernst van het feit te benadrukken en de verdachte te stimuleren op het goede pad te blijven, waarmee het risico op recidive wordt beperkt.
Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 3 juni 2025.