Uitspraak
5 juni 2025:
Inleidende overwegingen
in beginselop grond van de in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gegarandeerde waarborgen, met het beginsel van equality of arms als centraal thema, het recht heeft toegang te verkrijgen tot al het materiaal dat zowel ten nadele als ten gunste van de verdachte kan worden gebruikt. Daarbij gaat het niet alleen om dit
material evidence(vgl. EHRM 16 december 1992, nr. 13071/87 (
[naam 1] /Verenigd Koninkrijk), maar ook om
other evidence that might relate to the admissibility, reliability and completeness of the evidence(vgl. EHRM 4 april 2017, nr. 2742/12 (
[naam 2] /Kroatie)). Het hof onderkent in dat licht dat de verdediging deze mogelijkheid moet hebben, teneinde verweren te kunnen formuleren in het kader van de lopende strafzaak, ook waar het gaat om toegepaste methoden van opsporing en de resultaten van dat onderzoek. Op de rechter rust de verplichting erop toe te zien dat aan deze vereisten gedurende de berechting is voldaan. Aan deze vereisten is in het algemeen voldaan als de verdachte, al dan niet naar aanleiding van door of namens hem gedane verzoeken, beschikt over de informatie die redelijkerwijs relevant kan worden geacht voor het kunnen formuleren van verweren in het kader van de strafzaak, zoals hiervoor bedoeld.
'to have adequate facilities for the preparation of his defence'. Anders gezegd, of reeds aan de verdediging voldoende feitelijk substraat wordt geboden voor ten overstaan van het hof te voeren verweren ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, dan wel rechtmatigheids- en betrouwbaarheidsverweren, waarvan vorm, inhoud en strekking in grote lijnen kenbaar zijn gemaakt. Het hof heeft bij de beoordeling van de verzoeken vanzelfsprekend betrokken hetgeen ter onderbouwing daarvan is aangevoerd, alsmede wat daaromtrent door de advocaat-generaal naar voren is gebracht.
Het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ-EU
verkrijginggeldt artikel 31 Richtlijn Pro 2024/41 tenzij sprake is van een Europees Opsporings Bevel (hierna ook: EOB) dat tot die verkrijging heeft geleid. Het HvJ heeft hiervoor in genoemd arrest antwoord gegeven op vragen over de uitleg van genoemde richtlijn. Die uitleg kan niet zonder meer één op één worden overgenomen voor de
verwerkingvan data uit telecommunicatie. De verdediging wenst na te gaan wat de exacte regels zijn voor een gemeenschappelijk onderzoeksteam nu in de onderhavige zaak op basis van een JIT- overeenkomst is gehandeld. De verdediging heeft (onder meer) vragen voorgesteld die zien op toestemming aan een gemeenschappelijk onderzoeksteam door een rechter voor het verkrijgen en overdragen van bewijsmateriaal en het afleggen van verantwoording door het gemeenschappelijke onderzoeksteam in de wijze van opereren. De verdediging beoogt hiermee algemene, juridische kaders duidelijk te krijgen voor het gebruik in strafzaken van uit interceptie van telecommunicatie verkregen data. De verdediging heeft daarbij volledigheidshalve gewezen op het feit dat in dit verband al procedures lopen bij het Gerecht van de Europese Unie. Indien prejudiciële vragen in deze strafzaak worden gesteld, zouden die evenwel versneld kunnen worden behandeld door het HvJ, aangezien voor gedetineerde verdachten een spoedprocedure geldt.