ECLI:NL:GHAMS:2025:1594
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot opheffing mentorschap wegens noodzakelijkheid voortzetting
De betrokkene verzocht bij de kantonrechter om opheffing van het mentorschap, stellende dat hij zijn niet-vermogensrechtelijke belangen zelf kan behartigen en dat de diagnose dementie onjuist is. De kantonrechter wees dit verzoek af en benoemde een nieuwe mentor nadat de betrokkene geen vervangende mentor had voorgesteld.
In hoger beroep bevestigde het hof deze beslissing. Uit medische verslagen bleek dat de betrokkene lijdt aan een uitgebreide cognitieve stoornis, bevestigd door een specialist ouderengeneeskunde en MRI-onderzoek. De betrokkene accepteert de diagnose en behandeling niet, toont ontremd gedrag tegenover familieleden en heeft geen ziekte-inzicht.
De familieleden zijn niet in staat de betrokkene adequaat te ondersteunen, mede door hun eigen beperkingen en de agressieve houding van de betrokkene. De mentor, als professionele buitenstaander, kan met afstand een vertrouwensband onderhouden en de betrokkene ondersteunen bij noodzakelijke behandeling.
Daarom oordeelt het hof dat het mentorschap noodzakelijk is en bekrachtigt het de eerdere beschikkingen van de kantonrechter, waarmee het verzoek tot opheffing wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot opheffing van het mentorschap af en bekrachtigt de eerdere beschikkingen.