In deze zaak stond centraal of een handelaar bij het sluiten van een overeenkomst op afstand met een consument had voldaan aan zijn (pre)contractuele informatieplichten volgens artikel 6:230m lid 1 BW en artikel 6:230v BW. De consument had een camera gehuurd en betaalde niet, waarna de handelaar betaling en teruglevering vorderde.
De kantonrechter wees de vorderingen af omdat onvoldoende was aangetoond dat de handelaar aan zijn informatieplicht had voldaan. In hoger beroep oordeelde het hof dat de handelaar wel schermafdrukken van het bestelproces had overgelegd, maar onvoldoende concreet had toegelicht waar de informatieplichten waren vervuld. Hierdoor was de stelplicht niet nagekomen en konden de betalingsvorderingen niet worden toegewezen.
Wel oordeelde het hof dat de vordering tot afgifte van de camera toewijsbaar was, omdat de consument de camera na beëindiging van de overeenkomst onrechtmatig onder zich hield. De vordering tot boete of schadevergoeding wegens niet-teruglevering werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van de waarde.
Het hof vernietigde het vonnis voor zover de vordering tot afgifte was afgewezen, veroordeelde de consument tot teruglevering binnen zeven dagen met een dwangsom, en bepaalde dat partijen hun eigen proceskosten dragen.