Belanghebbende is erfpachter van een bovenwoning die hij in juli 2014 kocht voor €550.000. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde voor 2015 vast op €540.000, wat deels werd bevestigd na bezwaar. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze vaststelling en voerde aan dat de waarde te hoog was en dat er procedurele tekortkomingen waren bij de vaststelling en bezwaarbehandeling.
Tijdens de zitting was belanghebbende niet aanwezig. Het hof oordeelde dat de vastgestelde WOZ-waarde aannemelijk is, mede gelet op de aankoopprijs kort voor de peildatum. De aangevoerde standaardgrieven faalden, evenals de stelling dat de motivering ondeugdelijk was vanwege vermeende niet-verstrekte gegevens door de heffingsambtenaar.
Het hof stelde vast dat belanghebbende niet had gespecificeerd welke gegevens niet of niet tijdig waren verstrekt en dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat relevante gegevens op verzoek zijn verstrekt. Verzoeken om aanvullende gegevens over vergelijkbare verkopen werden afgewezen. Er was geen sprake van schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur of mensenrechten.
Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een kostenveroordeling.