Uitspraak
1.[geïntimeerde 1] ,
[geïntimeerde 2],
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak staat een klacht centraal tegen een voormalige kandidaat-gerechtsdeurwaarder die wordt verweten niet jaarlijks de beslagvrije voet te hebben herberekend en niet tijdig te hebben gereageerd op correspondentie van klagers. De klacht is door de kamer voor gerechtsdeurwaarders gegrond verklaard en leidde tot een maatregel van berisping en een proceskostenveroordeling.
Het hof stelt vast dat appellant in de periode 2019-2021 niet als kandidaat-gerechtsdeurwaarder werkzaam was en daarom niet aan het tuchtrecht onderworpen kon worden voor die periode. Hierdoor verklaart het hof dit klachtonderdeel niet-ontvankelijk. Ten aanzien van de klacht over het niet tijdig reageren op correspondentie oordeelt het hof dat deze gedragingen niet direct aan appellant zijn toe te rekenen maar aan de kantoororganisatie, waarvoor een andere gerechtsdeurwaarder verantwoordelijk is. Dit klachtonderdeel wordt daarom ongegrond verklaard.
Het hof vernietigt de bestreden beslissing van de kamer en concludeert dat er geen grond bestaat voor de opgelegde maatregel en kostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2025.
Uitkomst: Het hof vernietigt de berisping, verklaart het klachtonderdeel over 2019-2021 niet-ontvankelijk en het klachtonderdeel over reactietermijn ongegrond.