ECLI:NL:GHAMS:2025:1749
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toepassing lijfsdwang voor achterstallige kinderalimentatie na onvoldoende bewijs van onvermogen
In deze zaak staat de vraag centraal of de vrouw de beschikking van de rechtbank Amsterdam uit 2021 ten uitvoer kan leggen bij lijfsdwang wegens een achterstallige kinderalimentatie van maximaal €21.690,-. De man betoogt dat hij niet in staat is te betalen vanwege zijn financiële situatie, waaronder dakloosheid sinds oktober 2024 en schulden. Het hof verwijst naar het tussenarrest van oktober 2024 en beoordeelt de ingediende stukken en verklaringen.
De man heeft onvoldoende financiële stukken overgelegd, met name ontbreekt inzicht in zijn inkomsten vanaf 2023. Hoewel hij stelt dakloos te zijn en geen inkomen te hebben, zijn er aanwijzingen dat hij wel inkomsten heeft, zoals privé-opnamen uit zijn voormalige onderneming en een e-mail waarin hij salarisbetalingen noemt. De vrouw betwist de onvermogenstelling en wijst op informatie over het voortzetten van werkzaamheden als pakketbezorger en luxe uitgaven van de man.
Het hof oordeelt dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet kan betalen. Ook is hij niet verschenen om nadere toelichting te geven. Gezien het belang van de vrouw als schuldeiser en het mislukken van andere incassomaatregelen, acht het hof toepassing van lijfsdwang gerechtvaardigd. Het bestreden vonnis wordt vernietigd en de beschikking van 3 maart 2021 wordt uitvoerbaar bij lijfsdwang verklaard, met een termijn van 28 dagen voor betaling om lijfsdwang te voorkomen.
Uitkomst: De beschikking tot betaling van achterstallige kinderalimentatie wordt uitvoerbaar bij lijfsdwang verklaard, tenzij binnen 28 dagen volledig wordt betaald.