De gerechtsdeurwaarder heeft op 29 december 2024 hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders waarin een klacht tegen haar gegrond werd verklaard en een berisping plus een geldboete van €500 werd opgelegd.
Klaagster had verweer gevoerd en het hof ontving een intrekking van het hoger beroep door de gerechtsdeurwaarder op 6 juni 2025. Hierdoor kon het hof niet inhoudelijk op de klacht ingaan en werd de beslissing van de kamer definitief.
Het hof bevestigde dat de berisping en boete onherroepelijk zijn en zag af van een proceskostenveroordeling in hoger beroep, aangezien de opgelegde maatregelen gelijk bleven. De gerechtsdeurwaarder werd niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
De uitspraak werd op 22 juli 2025 door het hof Amsterdam, kamer civiel recht en belastingrecht, openbaar uitgesproken.