Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2025:1900

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
22 juli 2025
Publicatiedatum
21 juli 2025
Zaaknummer
200.351.179/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over lagere betaling voor verhuur van steigermateriaal

Bere Steigerverhuur verhuurde steigermateriaal aan appellant, die de facturen grotendeels onbetaald liet. De kantonrechter wees een vordering van €8.564,40 toe, inclusief incassokosten en rente. Appellant betwistte in hoger beroep de hoogte van het bedrag en stelde dat hij slechts €2.873,70 verschuldigd was, gebaseerd op aanmaningen en reeds gedane betalingen.

Het hof stelde vast dat de kantonrechter geen feiten had vastgesteld en dat de vordering boven het bedrag van €2.873,70 onvoldoende was onderbouwd. Het hof vernietigde daarom het vonnis en veroordeelde appellant tot betaling van €3.316,07, bestaande uit de aangepaste hoofdsom en buitengerechtelijke incassokosten, met wettelijke rente conform de staffel.

De kosten van het hoger beroep werden aan appellant opgelegd, maar op nihil begroot omdat het hoger beroep vermeden had kunnen worden bij inhoudelijk verweer in eerste aanleg. Het arrest werd uitgesproken door het Gerechtshof Amsterdam op 22 juli 2025.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis en veroordeelt appellant tot betaling van €3.316,07 met rente en kosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.351.179/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 11238316 \ CV EXPL 24-2182
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 juli 2025
in de zaak van
[appellant] h.o.d.n. [bedrijf] ,
wonende te [plaats] ,
appellant,
advocaat: mr. M. Zwennes te Amsterdam,
tegen
BERE STEIGERVERHUUR B.V.,
gevestigd te Boven-Leeuwen (gemeente West Maas en Waal),
geïntimeerde,
niet verschenen.
Partijen worden hierna [appellant] en Bere Steigerverhuur genoemd.

1.De zaak in het kort

Bere Steigerverhuur heeft materialen verhuurd aan [appellant] . [appellant] heeft de facturen van Bere Steigerverhuur grotendeels onbetaald gelaten. De kantonrechter heeft de vordering van Bere Steigerverhuur tot betaling van € 8.078,- voor de verhuur van materialen (vermeerderd met rente en kosten) toegewezen. In hoger beroep voert [appellant] aan dat hij maar € 2.873,70 verschuldigd is voor de verhuur van materialen. Het hof vernietigt het bestreden vonnis en veroordeelt [appellant] tot betaling van € 2.873,70 met rente en kosten.

2.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding houdende één grief van 16 januari 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 17 oktober 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Zaanstad (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen Bere Steigerverhuur als eiseres en [appellant] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
Tegen Bere Steigerverhuur is verstek verleend.
Daarna heeft [appellant] arrest gevraagd.
[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en [appellant] zal veroordelen een in goede justitie te bepalen bedrag te voldoen aan Bere Steigerverhuur, met veroordeling van Bere Steigerverhuur in de proceskosten van het hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[appellant] heeft in hoger beroep bewijs aangeboden van zijn stellingen.

3.Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis geen feiten vastgesteld. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist dienen de volgende feiten als uitgangspunt voor de beoordeling in hoger beroep.
3.1.
Bere Steigerverhuur is een steigerbouwbedrijf. Haar activiteiten bestaan onder meer uit de verhuur van steigermateriaal.
3.2.
[appellant] exploiteert een steigerbouwbedrijf.
3.3.
In de periode van 23 november 2021 tot en met 4 juli 2022 heeft [appellant] meerdere malen materialen gehuurd van Bere Steigerverhuur.
3.4.
Bere Steigerverhuur heeft [appellant] meerdere facturen toegezonden voor de verhuur van de materialen.
3.5.
De incassogemachtigde van Bere Steigerverhuur heeft [appellant] op 30 mei 2023, 3 juni 2023 en 8 juni 2023 aanmaningen gestuurd. In de specificatie van de aanmaningen staat dat [appellant] aan hoofdsom € 3.173,70 verschuldigd is.
3.6.
[appellant] heeft in totaal € 300,- aan Bere Steigerverhuur betaald en heeft de facturen voor het overige onbetaald gelaten.

4.Eerste aanleg

4.1.
Bere Steigerverhuur heeft in eerste aanleg na vermindering van eis gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] te veroordelen tot betaling van een bedrag van in totaal € 8.564,40, te vermeerderen met de rente en proceskosten. Het bedrag van € 8.564,40 bestaat uit een bedrag van € 8.078,- voor de verhuur van materialen en € 786,40 aan buitengerechtelijke incassokosten, verminderd met betalingen ter hoogte van € 300,-. Aan haar vordering heeft Bere Steigerverhuur ten grondslag gelegd dat zij meerdere malen steigermateriaal aan [appellant] heeft verhuurd, maar dat deze de facturen daarvoor grotendeels onbetaald heeft gelaten. [appellant] heeft de vordering in eerste aanleg niet inhoudelijk bestreden.
4.2.
De kantonrechter heeft de vordering toegewezen. [appellant] is (uitvoerbaar bij voorraad) veroordeeld tot betaling aan Bere Steigerverhuur van € 8.564,40 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 8.078,- vanaf 18 juli 2022, vervolgens over € 7.928,- vanaf 30 juli 2024 en daarna over € 7.778,- vanaf 8 augustus 2024 tot aan de dag van algehele betaling, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, te vermeerderen met de kosten van betekening als niet tijdig aan de veroordeling wordt voldaan en het vonnis daarna wordt betekend.

5.Beoordeling

5.1.
[appellant] heeft in hoger beroep één grief aangevoerd tegen de beslissing van de kantonrechter. Volgens [appellant] is onduidelijk waarom de kantonrechter de volledige vordering van € 8.564,40 heeft toegewezen, nu uit de door Bere Steigerverhuur overgelegde aanmaningen blijkt dat de openstaande hoofdsom op 8 juni 2023 slechts € 3.171,70 bedroeg. Na de laatste door Bere Steigerverhuur verzonden factuur van 4 juli 2022 heeft Bere Steigerverhuur geen diensten meer verricht voor [appellant] . Omdat [appellant] € 300,- heeft betaald, bedraagt het totaal door hem verschuldigde bedrag € 2.873,70. Gelet hierop dienen volgens [appellant] ook de toegewezen bedragen aan buitengerechtelijke incassokosten en rente te worden aangepast.
5.2.
Het hof overweegt dat Bere Steigerverhuur haar vordering op [appellant] , in het licht van de gemotiveerde betwisting door [appellant] in hoger beroep, onvoldoende heeft onderbouwd voor zover deze het bedrag van € 2.873,70 overschrijdt. De grief slaagt. Het hof zal het bestreden vonnis daarom vernietigen en [appellant] veroordelen tot betaling van een bedrag van € 3.316,07, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals in het dictum vastgesteld. Het bedrag van € 3.316,07 is samengesteld uit een bedrag aan hoofdsom van (€ 3.173,70 - € 300,- =) € 2.873,70 en de aangezegde en conform de Staffel Buitengerechtelijke Incassokosten berekende buitengerechtelijke incassokosten van € 442,37.
5.3.
Het hof ziet geen aanleiding om Bere Steigerverhuur in de kosten van de procedure in hoger beroep te veroordelen. Indien [appellant] inhoudelijk verweer had gevoerd in de procedure in eerste aanleg, was het hoger beroep immers niet nodig geweest. Gelet daarop zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van Bere Steigerverhuur veroordelen, die op nihil worden begroot.

6.Beslissing

Het hof:
6.1.
vernietigt het bestreden vonnis, voor zover de kantonrechter [appellant] heeft veroordeeld tot betaling aan Bere Steigerverhuur van € 8.564,40 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 8.078,- vanaf 18 juli 2022, vervolgens over € 7.928,- vanaf 30 juli 2024 en daarna over € 7.778,- vanaf 8 augustus 2024 tot aan de dag van algehele betaling;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
6.2.
veroordeelt [appellant] tot betaling aan Bere Steigerverhuur van een bedrag van € 3.316,07, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.173,70 vanaf 18 juli 2022, vervolgens over € 3.023,70 vanaf 30 juli 2024 en daarna over € 2.873,70 vanaf 8 augustus 2024 tot aan de dag van algehele betaling;
6.3.
bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;
6.4.
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Bere Steigerverhuur begroot op nihil;
6.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mr. W. Aardenburg, mr. A.S. Arnold en mr. R.L. de Graaff en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2025.