ECLI:NL:GHAMS:2025:1965

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 juli 2025
Publicatiedatum
28 juli 2025
Zaaknummer
23-001958-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van verdachte voor het plaatsen van explosief in brievenbus en belaging van ex-vriendin

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 17 juli 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met voorwaarden. De zaak betreft ernstige strafbare feiten, waaronder het plaatsen van een explosief (Super Cobra 6) in de brievenbus van de psychotherapeut van de ex-vriendin van de verdachte, wat leidde tot gemeen gevaar voor goederen en de mogelijkheid van levensgevaar voor de bewoners. De verdachte is ook schuldig bevonden aan belaging, diefstal en mishandeling. De rechtbank had eerder de verdachte vrijgesproken van enkele tenlastegelegde feiten, maar het hof heeft deze vrijspraak niet in stand gelaten. De opgelegde straffen zijn dadelijk uitvoerbaar, en er zijn overwegingen gemaakt met betrekking tot de vorderingen van benadeelde partijen, waarbij immateriële schadevergoeding is toegewezen. De verdachte heeft een persoonlijkheidsstoornis en ADHD, wat invloed heeft gehad op zijn gedrag, en de TBS-maatregel is opgelegd om recidive te voorkomen en behandeling mogelijk te maken.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001958-23
datum uitspraak: 17 juli 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 juni 2023 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-063270-22 (hierna: zaak A) en 18-039040-22 (hierna: zaak B) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1978,
adres: [detentieadres] .

1.Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 juni 2025 en 17 juli 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw en de advocaat van de benadeelde partij [benadeelde 1] naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep op 12 juni 2025 door het gerechtshof toegelaten wijzigingen is aan de verdachte in
zaak A– kort gezegd – tenlastegelegd:
- dat hij zich op 12 maart 2022 te Amstelveen heeft schuldig gemaakt aan:
1. primair) poging tot doodslag op, dan wel (subsidiair) bedreiging van [benadeelde 2] en/of
[benadeelde 3] , door een ontstoken explosief in de brievenbus van hun woning te steken en/of plaatsen dan wel naar binnen te gooien;
2. (
primair) opzettelijk een ontploffing teweegbrengen in een woning waardoor (levens)gevaar voor die
woning en de goederen en de personen in die woning te duchten was, dan wel (subsidiair) het vernielen/beschadigen van de woning en de goederen in de woning;
- dat hij zich te Amstelveen en/of Leeuwarden heeft schuldig gemaakt aan:
3. belaging van [benadeelde 1] in de periode van 1 januari 2022 tot en met 15 april 2022;
4. het buiten medeweten van [benadeelde 1] maken van cameraopnames van [benadeelde 1] in haar woning in de periode van 1 januari 2022 tot en met 15 april 2022,
en/of
het plaatsen van bakens in voertuigen van [benadeelde 1] en opnameapparatuur in de woning van [benadeelde 1] voor het afluisteren van gesprekken en gegevensoverdracht in de periode van 1 januari 2022 tot en met 14 maart 2022;
5. het binnendringen in de computer en (email)accounts van [benadeelde 1] door gebruik te maken van haar wachtwoorden en vervolgens het voor zichzelf overnemen van e-mails en emailaccounts in de periode van 1 januari 2022 tot en met 14 maart 2022;
6. het verwerven/voorhanden hebben van computerwachtwoorden/toegangscodes en inloggegevens die toegang verlenen tot winkels, social media-accounts en emailaccounts van [benadeelde 1] in de periode van 1 januari 2022 tot en met 14 maart 2022;
-
dat hij zich op 12 maart 2022 te Amstelveen heeft schuldig gemaakt aan:
7. diefstal met braak van sleutels van [benadeelde 1] ;
- dat hij zich in de periode van 13 januari 2022 tot en met 20 maart 2022 te Amstelveen heeft schuldig gemaakt aan:
8. diefstal door middel van een valse sleutel van gereedschappen en geluidsapparatuur van [benadeelde 4] ;
Aan verdachte is in
zaak B– kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 23 januari 2022 te Leeuwarden heeft schuldig gemaakt aan:
1. diefstal van een deurbel van [benadeelde 5] ;
2. mishandeling van [benadeelde 6] .
De tekst van de volledige tenlastelegging in zaken A en B is opgenomen in de bij dit arrest gevoegde bijlage I. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

3.Omvang van het hoger beroep

De rechtbank heeft de verdachte bij voormeld vonnis vrijgesproken van hetgeen aan hem in zaak A onder 1 en 7 ten laste is gelegd.
Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is daarom ook gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak ten aanzien van wat is tenlastegelegd in zaak A onder feit 7. Gelet op wat is bepaald in artikel 404 lid 5 van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open.
Het hoger beroep van het openbaar ministerie is blijkens mededeling van de advocaat-generaal op de terechtzitting ook niet gericht tegen deze vrijspraak.
Nu ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te beschermen belang dat is gediend met de voortgezette behandeling van dit feit waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken, zal het hof de verdachte en de advocaat-generaal niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep ten aanzien van het in zaak A onder 7 tenlastegelegde.

4.Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, voor zover inhoudelijk aan de orde, zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

5.Vrijspraak van het in zaak A onder 1 primair tenlastegelegde

Evenals de rechtbank en met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen wat de verdachte in zaak A onder 1 primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

6.Beoordeling van het bewijs

6.1
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het in zaak A onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit kan worden bewezen. Door een cobra in de brievenbus van de woning te plaatsen op een tijdstip dat de bewoners aanwezig waren, is de objectieve vrees voor levensgevaar of voor brandstichting gewekt. De verdachte heeft door zijn handelen op z’n minst het voorwaardelijke opzet gehad op het bedreigen van de bewoners van de woning. Het onder 2 primair tenlastegelegde te duchten (levens)gevaar voor personen en goederen kan ook worden bewezen. Op het tijdstip van het plaatsen van de cobra was de kans zeer groot dat de bewoners aanwezig waren. Bij het tot ontploffing brengen van een cobra bij de voordeur weet men dat dit aanzienlijke schade met zich meebrengt en dat het gevaar op zwaar letsel, door het gewond raken door losvliegende delen van de deur, zeer groot is. Er kan door de vrijgekomen hitte ook brand ontstaan, wat ook het gevaar van zwaar lichamelijk letsel of dodelijk letsel kan opleveren.
Wat de verdachte in zaak A onder 3 tot en met 6 is tenlastegelegd, kan – gelet op de inhoud van het dossier – worden bewezen. Dat geldt ook voor de in zaak A onder 8 en zaak B tenlastegelegde feiten, mede gelet op de bekennende verklaringen van de verdachte ten aanzien van die feiten.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van het in zaak A onder 2 primair tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken, voor zover de tenlastelegging inhoudt dat als gevolg van de ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. De bewoners bevonden zich niet achter de voordeur of in het verlengde daarvan, omdat zij lagen te slapen in de slaapkamer. Uit niets blijkt dat de explosie de kracht had om in de slaapkamer levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te veroorzaken. Het gevaar was ten tijde van de ontploffing, mede gelet op het tijdstip, naar algemene ervaringsregels dus niet voorzienbaar.
6.3
Oordeel van het hof
Het hof overweegt als volgt.
Zaak A
Het hof stelt vast dat op 12 maart 2022 om 04:06 uur een ontploffing heeft plaatsgevonden bij de voordeur van de woning gelegen aan de [adres 1] . Deze ontploffing is veroorzaakt doordat de verdachte een stuk zwaar vuurwerk, te weten een Super Cobra 6 in de brievenbus van de voordeur heeft gestoken en aangestoken. De explosie heeft zich voorgedaan op een tijdstip waarop de aangever en zijn vrouw op de eerste verdieping van hun woning lagen te slapen. Zij zijn midden in de nacht gewekt door een harde knal bij de voordeur, waarna zij de aanzienlijke schade aan (de inboedel van) de woning hebben aangetroffen. De voordeur was ontzet ter hoogte van de brievenbus en (onderdelen van) de metalen brievenbus wa(s)(ren) als gevolg van de ontploffing door de woning geschoten. Dat heeft in het beveiligde glas van de tussendeur van de hal naar de woonkamer op een hoogte van ongeveer 120 centimeter een gat van 30 centimeter breed en 12 centimeter hoog veroorzaakt. Verder was er als gevolg van de weggeschoten (onderdelen van de) metalen brievenbus schade aan het houten raamkozijn en de lamellen aan de achterzijde van de woning. In de hal en de woonkamer lagen stukken glas en hout.
6.3.1
Feit 1 subsidiair
Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, zwaar lichamelijk letsel en/of brandstichting, is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat die het leven zou kunnen verliezen, zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en/of dat er brand zou kunnen ontstaan.
De aangever heeft verklaard dat hij door de knal stond te trillen op zijn benen en dat hij en zijn vrouw enorm zijn geschrokken. Zij hebben de ontploffing als zeer dreigend ervaren. De angstgevoelens werden gesterkt door het vermoeden dat de ontploffing was veroorzaakt door de (ex-)partner van een cliënte van de aangever, aan wie hij kort voor het tenlastegelegde feit had geadviseerd om de relatie met de verdachte te beëindigen.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij uit vergeldingsdrang de cobra in de brievenbus bij de aangever heeft gestoken en aangestoken. Zijn toenmalige partner was in behandeling bij de aangever, een psychotherapeut, en die had haar geadviseerd om de relatie met de verdachte te beëindigen. De verdachte wilde niemand iets aandoen, maar wilde met de harde klap de bewoners laten schrikken. De verdachte heeft verklaard te kunnen begrijpen dat de bewoners zich, door zijn handelen, bedreigd hebben gevoeld.
Uit het voorgaande volgt dat de verdachte, door midden in de nacht een krachtige ontploffing te veroorzaken in de brievenbus van de voordeur van de woning met voornoemde schade tot gevolg, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat bij de aangever en zijn vrouw de redelijke vrees kon ontstaan dat zij als gevolg van de ontploffing het leven zouden kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen, dan wel vreesden dat een ontploffing van deze omvang zou kunnen leiden tot brand. Het hof acht de tenlastegelegde bedreiging daarom wettig en overtuigend bewezen.
6.3.2
Feit 2 primair
Te duchten ‘levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel’
Om te kunnen vaststellen dat sprake was van levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander als bedoeld in artikel 157 sub 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat zulk gevaar inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel ten tijde van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Van die vereiste voorzienbaarheid zal in de regel geen sprake zijn indien de bewoner(s) zich ten tijde van de ontploffing niet in de woning bevond(en) (vgl. HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG1653).
Het hof is van oordeel dat er geen levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was voor de bewoners, omdat geen sprake is geweest van een voorzienbaar en een reëel risico voor levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. De bewoners bevonden zich ten tijde van de ontploffing niet in de nabijheid van de explosie en er brandde op dat moment geen licht in de woning. Dat als gevolg van de explosie (onderdelen van) de metalen brievenbus, glas en stukken hout door de lucht vlogen op de benedenverdieping, maakt dit niet anders nu de bewoners zich op de eerste verdieping van de woning bevonden. Op basis van het dossier kan verder ook niet worden vastgesteld dat het voorzienbaar was dat er brand zou kunnen ontstaan in de woning, als gevolg waarvan er levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. Daartoe acht het hof van belang dat het dossier op dit punt niet meer inhoudt dan dat de hitte die vrijkomt bij de explosie van een Super Cobra 6, licht ontvlambare omgevingsmaterialen kan ontsteken en zo tot brand van omgevingsmaterialen kan leiden, terwijl uit het dossier niet blijkt dat zich in de omgeving van de voordeur ook licht ontvlambare omgevingsmaterialen bevonden. Onder deze omstandigheden is het naar het oordeel van het hof naar algemene ervaringsregels niet voorzienbaar geweest dat door het teweegbrengen van de ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen in de woning te duchten was.
Het hof spreekt de verdachte daarom partieel vrij van het tenlastegelegde te duchten levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.
Het hof acht het tenlastegelegde te duchten gevaar voor goederen – welk gevaar zich ook heeft verwezenlijkt – wel wettig en overtuigend bewezen.
6.3.3.
Feiten 3, 4, 5, 6 en 8 (zaak A) en feiten 1 en 2 (zaak B)
Gelet op de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep acht het hof, evenals de rechtbank, de feiten 3 tot en met 6 en 8 in zaak A en de feiten 1 en 2 in zaak B wettig en overtuigend bewezen.

7.Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak A onder 1 subsidiair, 2 primair, 3, 4, 5, 6 en 8 en in de zaak B onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak A:
1. subsidiair
hij op 12 maart 2022 te Amstelveen, [benadeelde 2] en [benadeelde 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, althans met brandstichting, immers heeft verdachte een ontstoken explosief in de brievenbus van de voordeur van een woning, gelegen aan de [adres 2] , gestoken;
2. primair
hij op 12 maart 2022 te Amstelveen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een ontstoken explosief, in de brievenbus van de voordeur van een woning, gelegen aan de [adres 2] , te steken terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor die woning en de zich in die woning bevindende goederen, te duchten was;
3.
hij in de periode van 1 januari 2022 tot en met 15 april 2022 te Amstelveen en/of Leeuwarden wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op andermans persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde 1] met het oogmerk die [benadeelde 1] te dwingen iets te dulden, door in voornoemde periode,
- zich in de nachtelijke uren in de woning en garage van voornoemde [benadeelde 1] te bevinden en
- een camera in de meterkast van de woning van voornoemde [benadeelde 1] te plaatsen en
- afluisterapparatuur in de keuken van de woning van voornoemde [benadeelde 1] te plaatsen en
- een baken/trackingkastje in de fietstas van de bakfiets van voornoemde [benadeelde 1] te plaatsen en voornoemde [benadeelde 1] daarmee te volgen en
- een baken/trackingkastje in het voertuig an voornoemde [benadeelde 1] te plaatsen en voornoemde [benadeelde 1] daarmee te volgen en
- een camera onder het bed in de slaapkamer van de woning van voornoemde [benadeelde 1] te plaatsen en
- een router/modem in de meterkast van de woning van voornoemde [benadeelde 1] te plaatsen en
- printscreens te maken van wachtwoorden van voornoemde [benadeelde 1] en
- ( social media) accounts van voornoemde [benadeelde 1] te beheren en
- zich (op het Whatsappaccount van voornoemde [benadeelde 1] ) voor te doen/ uit te geven als ware voornoemde [benadeelde 1] en/of (vervolgens) uit naam van voornoemde [benadeelde 1] via Whatsapp berichten te sturen aan vrienden/kennissen van voornoemde [benadeelde 1] ;
4.
hij in de periode van 1 januari 2022 tot en met 14 maart 2022 te Amstelveen en/of Leeuwarden, gebruik makende van een technisch hulpmiddel (te weten een camera) waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar was gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van [benadeelde 1] , aanwezig in de woning van voornoemde [benadeelde 1] aan de [adres 3] , een afbeelding en/of film heeft vervaardigd
en
hij in de periode van 1 januari 2022 tot en met 14 maart 2022 te Amstelveen en/of Leeuwarden, met het oogmerk dat daardoor een gesprek, telecommunicatie en/of andere gegevensoverdracht en/of andere gegevensverwerking, door een geautomatiseerd werk wederrechtelijk werd afgeluisterd, afgetapt en/of opgenomen, een technisch hulpmiddel, te weten
- een baken/trackingkastje in de fietstas van de bakfiets van voornoemde [benadeelde 1] en
- een baken/trackingkastje in het voertuig van voornoemde [benadeelde 1] en
- een camera in de meterkast en afluisterapparatuur in de keuken en een camera onder het bed in de slaapkamer en een router/modem in de meterkast van de woning van [benadeelde 1] aan de [adres 3] , aanwezig heeft doen zijn;
5.
hij in de periode van 1 januari 2022 tot en met 14 maart 2022 te Amstelveen en/of Leeuwarden, opzettelijk en wederrechtelijk in een geautomatiseerd werk, te weten
- de laptop van [benadeelde 1] ,
- het [account 1] account en [account 2] account van [benadeelde 1] , althans één of meerdere servers is binnengedrongen met behulp van een valse sleutel, te weten het onbevoegd gebruik maken van wachtwoorden van voornoemde [benadeelde 1] , en vervolgens de gegevens, te weten e-mails en een (online) kopie van het Postvak IN van voornoemde [benadeelde 1] , die worden verwerkt of worden overgedragen door middel van voornoemd geautomatiseerd werk, waarin hij zich wederrechtelijk bevond, voor zichzelf heeft overgenomen;
6.
in de periode van 1 januari 2022 tot en met 14 maart 2022 te Amstelveen en/of Leeuwarden, computerwachtwoorden en daarmee vergelijkbare gegevens, waardoor toegang kon worden gekregen tot een deel van een geautomatiseerd werk, voorhanden heeft gehad, met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab, eerste lid, 138b of 139e Sr werd gepleegd, immers heeft verdachte lijsten met inloggegevens en wachtwoorden die toegang verlenen tot accounts van webshops/winkels/hotels/social media accounts/e-mail accounts (waaronder onder andere [winkel 1] , [winkel 2] . [hotel] , [website 1] , [social media] , [bedrijf 1] ) toebehorende aan [benadeelde 1] voorhanden gehad met de bedoeling om daarmee zichzelf toegang te verschaffen tot voornoemde accounts, zijnde delen van geautomatiseerde werken van [benadeelde 1] ;
8.
hij in de periode van 13 januari 2022 tot en met 20 maart 2022 te Amstelveen een hoeveelheid gereedschap (onder andere diverse bitsetjes en/of steekringsleutels en/of doppenset) en een Cd-speler (merk Harman Cardon) en een surround tuner/versterker (merk JVC), die aan [benadeelde 4] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse sleutel, namelijk door middel van een sleutel tot het gebruik waarvan hij, verdachte, niet gerechtigd was;
Zaak B (gevoegd):
1.
op 23 januari 2022 te Leeuwarden een deurbel (ring professional), die aan [benadeelde 5] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op 23 januari 2022 te Leeuwarden [benadeelde 6] heeft mishandeld door met kracht een duw tegen het lichaam van die [benadeelde 6] te geven waardoor die [benadeelde 6] ten val kwam en tegen het hoofd van die [benadeelde 6] te slaan.
Hetgeen in de zaak A onder 1 subsidiair, 2 primair, 3, 4, 5, 6 en 8 en in de zaak B onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

8.Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak A onder 1 subsidiair, 2 primair, 3, 4, 5, 6 en 8 en in de zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het in de zaak A onder 1 subsidiair en onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:
meerdaadse samenloop van
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, zware mishandeling en brandstichting(feit 1 subs)
en
opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is(feit 2 prim)
Het in de zaak B onder 3, 4, 5 en 6 bewezenverklaarde levert op:
meerdaadse samenloop van
belaging(feit 3)
en
gebruik makende van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, aanwezig in een woning of op een andere niet voor het publiek toegankelijke plaats, een afbeelding vervaardigen.
en
met het oogmerk dat daardoor een gesprek, telecommunicatie of andere gegevensoverdracht of andere gegevensverwerking door een geautomatiseerd werk wederrechtelijk wordt afgeluisterd, afgetapt of opgenomen, een technisch hulpmiddel op een bepaalde plaats aanwezig doen zijn(feit 4)
en
computervredebreuk, terwijl de dader vervolgens gegevens die zijn opgeslagen, worden verwerkt of overgedragen door middel van het geautomatiseerde werk waarin hij zich wederrechtelijk bevindt, voor zichzelf overneemt(feit 5)
en
met het oogmerk daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ah eerste lid, 138b of 139e wordt gepleegd, een computerwachtwoord, toegangscode of daarmee vergelijkbaar gegeven waardoor toegang kan worden gekregen tot een geautomatiseerd werk of een deel daarvan, voorhanden hebben(feit 6)
Het in de zaak A onder 8 bewezenverklaarde levert op:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels.
Het in de zaak B onder 1 bewezenverklaarde levert op:
diefstal.
Het in de zaak B onder 2 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.

9.Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in de zaak A onder 1 subsidiair, 2 primair, 3, 4, 5, 6 en 8 en in de zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.

10.Oplegging van straffen en maatregelen

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A onder 2 primair, 3 tot en met 6 en 8 en in zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest. De rechtbank heeft ook de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden (hierna ook: TBS met voorwaarden) opgelegd. Daarnaast heeft de rechtbank aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd zoals bedoeld in artikel 38v Sr, in de vorm van een contactverbod en een locatieverbod, en heeft daarvan de dadelijke uitvoerbaarheid bevolen.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A onder 1 subsidiair, 2 primair, 3 tot en met 6 en 8 en in zaak B onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden, met aftrek van voorarrest, en dat daarnaast de TBS-maatregel met voorwaarden en de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr en gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z zal worden opgelegd.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om geen hogere gevangenisstraf op te leggen dan 24 maanden. Ten aanzien van de TBS-maatregel heeft de raadsman verzocht TBS met voorwaarden op te leggen. Voor wat betreft het als voorwaarde opgelegde alcoholverbod heeft de raadsman verzocht die voorwaarde op te leggen zolang de reclassering dat noodzakelijk acht, zoals ter terechtzitting in hoger beroep is geadviseerd door de reclasseringsmedewerker. De raadsman heeft verder betoogd dat geen sprake is van een geweldsmisdrijf, waardoor de opgelegde TBS-maatregel gemaximeerd is.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
10.1
Ernst van de bewezenverklaarde feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging en het veroorzaken van een ontploffing bij de woning van de psychotherapeut van zijn toenmalige vriendin, door een ontstoken professioneel stuk knalvuurwerk (een Super Cobra 6) in de brievenbus van de voordeur van de woning te plaatsen. De verdachte heeft verklaard dit te hebben gedaan uit vergelding, omdat de psychotherapeut zijn toenmalige vriendin het advies had gegeven om de relatie met de verdachte te beëindigen. Daarbij is gemeen gevaar voor goederen ontstaan. De ontploffing heeft tot een aanzienlijke schade geleid in de hal en woonkamer van de woning. De slachtoffers, die boven lagen te slapen, zijn hierdoor enorm geschrokken en hebben ook geruime tijd daarna last gehad van gevoelens van angst en onveiligheid. Bovendien kunnen dergelijke feiten, gelet op hun ernst, maatschappelijke onrust en een gevoel van onveiligheid in de samenleving en in het algemeen veroorzaken.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan belaging van zijn toenmalige vriendin. Hij heeft gedurende 3,5 maanden op een zeer intensieve en indringende manier controle proberen uit te oefenen op haar leven, door heimelijk (beeld en geluids-)opnames van haar te maken met door hem in haar woning geplaatste en verdekt opgestelde camera's, haar te volgen door middel van gps-bakens die hij in haar fiets en auto verstopte en door te beschikken over haar wachtwoorden en/of inloggegevens van haar e-mail- en internetaccounts waar hij op heeft ingelogd en zich voordeed als het slachtoffer. Belaging is een ernstig feit dat diep ingrijpt in het leven van het slachtoffer en dat het dagelijks leven van het slachtoffer volledig kan gaan beheersen en kan ontwrichten. De verdachte heeft bij dit alles niet stilgestaan en heeft zijn eigen drang naar controle op het slachtoffer vooropgesteld. Hij heeft een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid van het slachtoffer, wat voor het slachtoffer beangstigend is geweest. Dat laatste is ook gebleken uit wat de gemachtigde van het slachtoffer ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht, namelijk dat het slachtoffer bewust niet op de zitting in hoger beroep is verschenen, omdat zij bang was voor de mogelijke gevolgen daarvan.
Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan twee diefstallen en een mishandeling. Hij heeft gereedschap gestolen uit de garagebox van een vriend van zijn toenmalige vriendin. Ook heeft hij bij
buurtgenoten een (video)deurbel gestolen. Dit zijn vervelende feiten die schade en overlast voor de slachtoffers hebben veroorzaakt. Bovendien heeft de verdachte de buurtbewoonster, die verhaal kwam halen over de diefstal van de (video)deurbel, een duw en een klap gegeven waardoor zij ten val is gekomen en letsel heeft opgelopen. Hiermee heeft de verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.
10.2
TBS met voorwaarden
De rechtbank heeft, gelet op de inhoud van de destijds beschikbare rapportages – tegen het advies van de psychiater in, maar overeenkomstig het advies van de psycholoog – geoordeeld dat oplegging van de TBS-maatregel met voorwaarden, mede vanuit het behandelperspectief voor verdachte, het meest passend is.
Het hof heeft kennisgenomen van de reclasseringsrapporten en Pro Justitia rapporten, waaronder de twee recente Pro Justitia rapportages, te weten:
- een rapport van 29 mei 2025 opgesteld door M. de Vries, psychiater;
- een rapport van 6 juni 2025 opgesteld door R.A. Sterk, psycholoog.
Door beide rapporteurs wordt bij de verdachte een persoonlijkheidsstoornis met borderline, narcistische en antisociale trekken, en een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit (ADHD) vastgesteld, die zeer waarschijnlijk invloed hebben gehad op het tenlastegelegde. Beide deskundigen zien aanleiding om (een groot aantal van) de tenlastegelegde feiten verminderd aan verdachte toe te rekenen door de doorwerking.
De kans op recidive door de verdachte bij onbehandelde terugkeer in de maatschappij wordt door beide rapporteurs als matig tot hoog ingeschat. Het behandelen van persoonlijkheidsstoornis, waarbij met name aandacht dient uit te gaan naar zijn kwetsbaarheden in intieme relaties, zoals verhoogde krenkbaarheid, wantrouwen, emotionele instabiliteit en impulsiviteit en aandacht voor de geconstateerde ADHD lijkt dan ook noodzakelijk. Dit kan zorgen voor een lager recidiverisico.
In tegenstelling tot eerder uitgebrachte rapporten, waarin de adviezen van de deskundigen over het behandelkader uiteenliepen, adviseren beide rapporteurs in hun recente rapporten een behandeling van de verdachte binnen het kader van een TBS-maatregel met voorwaarden. Sinds zijn opname in de [detentieadres] wordt opgemerkt dat de verdachte vanuit behandeltechnisch oogpunt binnen dit kader goed functioneert en gemotiveerd is ten aanzien van zijn ingezette klinische behandeling. Psychiater De Vries stelt dat na een moeizame start van de behandeling, met zorgen over de intrinsieke behandelmotivatie van de verdachte, de complexiteit van zijn problematiek en de moeite om tot een behandelrelatie te komen, inmiddels goede stappen zijn gezet en dat de behandeling vorm heeft gekregen. De verdachte kan iets meer kritisch naar zichzelf kijken, volgt vele therapieën en is ingesteld op medicatie tegen zijn ADHD. Psycholoog Sterk merkt op dat de externe druk die van een dergelijk kader uitgaat, zinvol lijkt en het veranderen van het kader tijdens een behandeling wordt vanuit dit oogpunt dan ook niet wenselijk geacht. Beide rapporteurs komen tot de conclusie dat de behandeling in de FPK moet worden voortgezet.
Het hof heeft daarnaast kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 2 juni 2025. Uit dit rapport volgt, samengevat, dat de verdachte sinds zijn schorsing in hoger beroep op 4 juli 2024 is opgenomen in de [detentieadres]. De behandeling van de verdachte verloopt daar voorspoedig. De verdachte is, ondanks zijn initiële afweer tegen de maatregel en de klinische behandeling in een FPK, de werkrelatie
aangegaan met het behandelteam. Hij is bereid om kritisch naar zichzelf te kijken, accepteert een externe sturing en zet zich in voor de behandeling. In dit rapport wordt, in lijn met de Pro Justitia rapportages en mede gelet op de bereidheid van de verdachte tot medewerking, positief geadviseerd over TBS met voorwaarden.
Ter terechtzitting is de deskundige mevrouw [deskundige] van de reclassering gehoord. Zij bevestigt dat de verdachte positieve stappen heeft gezet, maar nog een lange weg heeft te gaan. Naar aanleiding van wat ter terechtzitting is opgeworpen door de verdediging met betrekking tot het alcoholverbod, stelt de reclasseringswerker dat die voorwaarde – anders dan in het reclasseringsrapport – kan worden gewijzigd, in zoverre dat de verdachte zich onthoudt van het gebruik van alcohol, zolang de reclassering dit nodig acht. Zij heeft bevestigd dat dit kan betekenen dat deze voorwaarde op den duur niet meer noodzakelijk zal zijn.
Het hof is gelet op de ernst van de feiten, de persoon van de verdachte en voornoemde adviezen, met de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat het behandeltraject en de begeleiding dienen te worden voortgezet, opdat de verdachte op termijn weer maatschappelijk zal kunnen functioneren. Het hof acht TBS met voorwaarden daarvoor de meest passende maatregel. Het hof zal aan de maatregel de voorwaarden verbinden zoals geadviseerd in het reclasseringsadvies van 2 juni 2025. Het hof ziet aanleiding om de voorwaarde met betrekking tot het alcoholverbod op de door reclasseringswerker voorgestelde wijze aan de TBS-maatregel te verbinden.
Het hof heeft in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet aan het opleggen van een TBS-maatregel met voorwaarden stelt. De verdachte is onderzocht door een psycholoog en een psychiater, die hebben vastgesteld dat tijdens het begaan van de bewezenverklaarde feiten bij de verdachte sprake was van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Op het gepleegde misdrijf zoals in zaak A onder 2 primair bewezenverklaard is een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld en daarnaast zijn bedreiging en belaging misdrijven specifiek genoemd in artikel 37a lid 1 onder 2 Sr. Bovendien eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen en goederen gelet op wat hiervoor is overwogen de maatregel.
10.3
Gemaximeerde TBS
Ingevolge artikel 38e lid 1 Sr gaat de totale duur van een TBS-maatregel met dwangverpleging een periode van vier jaar niet te boven, tenzij de maatregel is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, kort gezegd: een geweldsmisdrijf. In het onderhavige geval wordt de maatregel opgelegd ter zake van het teweegbrengen van een ontploffing, belaging en bedreiging die niet gepaard zijn gegaan met daadwerkelijk (fysiek) geweld tegen de belaagde en bedreigde personen. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet, althans onvoldoende, is gebleken van bijkomende omstandigheden die maken dat sprake is van een geweldsmisdrijf. De concrete omstandigheden van dit geval, waarbij het enige bedreigende element erin heeft bestaan dat de cobra tot ontploffing is gebracht bij de voordeur en verder niet vergezeld werd van verbale dreigementen of ander geweld, maken dat geen sprake is van een feit dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam. Het is bovendien niet aannemelijk geworden dat de verdachte uitvoering zou geven aan de bedreiging. Dit betekent dat in het geval dat de bij dit arrest op te leggen TBS-maatregel met voorwaarden wordt omgezet in een TBS-maatregel met dwangverpleging, de totale duur van deze laatgenoemde maatregel een periode van vier jaar niet te boven kan gaan.
10.4
Dadelijke uitvoerbaarheid van de TBS-maatregel
Omdat het hof het – gelet op het aanwezige recidivegevaar – van belang acht dat de aangevangen behandeling van de verdachte wordt gecontinueerd, zal het op de voet van het bepaalde in artikel 38, zesde lid, Sr, bepalen dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.
10.5
Maatregel 38v Sr en dadelijke uitvoerbaarheid
Ter voorkoming van strafbare feiten zal het hof aan de verdachte een maatregel strekkende tot beperking van zijn vrijheid opleggen. Het hof zal ook de dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel bevelen. Gelet op de aard van de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte is het hof van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens de slachtoffers.
10.6
Conclusie
Het hof acht, alles afwegende, oplegging van een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van voorarrest, de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden en de vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 38v Sr passend en geboden.
Anders dan door de advocaat-generaal is gevorderd, zal het hof de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z lid 1 Sr niet opleggen, aangezien het hof de noodzaak van die maatregel – in aanvulling op de op te leggen straf en maatregel – niet is gebleken.
10.7
Tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

11.Vorderingen benadeelde partijen

11.1
[benadeelde 1]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 12.335,11, bestaande uit € 8.835,11 aan materiële schade en € 3.500,00 aan vergoeding van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.299,25. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de immateriële schade volledig dient te worden toegewezen en dat wat betreft de materiële schade een bedrag van € 6.994,61 (het gevorderde bedrag minus de kosten van de aannemer voor de schuifpui en matiging tot een bedrag van € 1.500,00 voor de gegevensdragers) toegewezen kan worden.
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van de materiële kosten, voor zover die zien op de vergoeding van de pui – gelet op de vrijspraak van feit 7 in zaak A – op het standpunt gesteld dat alleen de kosten met betrekking tot het vervangen van de cilinders nog aan de orde zijn. De raadsman heeft het hof verzocht om conform de beslissing van de rechtbank een bedrag van € 98,75 toe te wijzen en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van de aanschaf van de gegevensdragers heeft hij het hof verzocht om de vordering af te wijzen dan wel de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, wegens onvoldoende onderbouwing van het causaal verband tussen de gevorderde kosten en de tenlastegelegde feiten. De raadsman heeft subsidiair verzocht om matiging van het bedrag. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsman de vordering van de benadeelde partij betwist en gesteld dat de vordering niet is onderbouwd omdat niet duidelijk wordt van welk geestelijk letsel sprake is om te kunnen spreken van “een aantasting in persoon op andere wijze”. De raadsman heeft het hof primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in dit gedeelte van de vordering en subsidiair verzocht om dit te matigen.
Materiële schade
De vordering ten aanzien van de materiële schade bedraagt € 8.835,11 te vermeerderen met de wettelijke rente en bestaat uit de volgende schadeposten:
Reparatie pui, vervangen cilindersloten en vervangen modem: € 939,50
Inbraakpreventie: € 5.108,62
Autosleutel: € 385,90
Aanschaf gegevensdragers: € 2.401,00
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A onder 3 tot en met 6 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden. Het gevorderde bedrag voor de kosten onder a) is naar het oordeel van het hof door de benadeelde partij voldoende onderbouwd, voor zoverre dat ziet op de vervanging van de cilindersloten ten bedrage van € 197,50. Het gevorderde bedrag onder b) is naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd tot een bedrag van € 3.982,11, zijnde het bedrag dat blijkens de aantekening op de factuur is voldaan. Het hof is van oordeel dat deze kosten in rechtstreeks verband staan tot het handelen van de verdachte. Zoals hiervoor overwogen heeft de verdachte met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid van de benadeelde partij.
De overige gevorderde kosten onder a) houden gelet op de vrijspraak van feit 7 in zaak A geen rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. De benadeelde partij kan daarom voor dat deel niet in de vordering worden ontvangen. Datzelfde geldt voor het resterende gedeelte van de post onder b), nu het hof zonder nadere onderbouwing van de vordering de verschillende bedragen in de onderbouwing van de stukken niet kan plaatsen. Het voorgaande geldt ook ten aanzien van de gevorderde kosten onder c). Net als de rechtbank overweegt het hof in dat verband dat niet is komen vast te staan dat de autosleutel door de verdachte is weggenomen.
Ten aanzien van de gevorderde kosten onder d) overweegt het hof dat deze kosten onvoldoende zijn onderbouwd, mede gelet op de betwisting door de raadsman. Ter terechtzitting in hoger beroep is geen nadere onderbouwing gegeven voor deze kosten. Het hof is, mede gelet op het voorgaande, van oordeel dat nader onderzoek een onevenredige belasting zou opleveren van dit strafproces. Om deze reden zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren voor dit deel van de vordering.
Immateriële schade
Artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) brengt, voor zover voor de beoordeling van belang, mee dat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien hij ten gevolge van het strafbare feit is aangetast in de persoon in op andere wijze.
Van de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht. (vgl. Hoge Raad 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793.)
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A onder 3 tot en met 6 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Ten aanzien van de aantasting van de benadeelde partij in haar persoon ‘op andere wijze’ overweegt het hof dat de aard en de ernst van de normschendingen met zich meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De verdachte heeft zich gedurende een periode van 4 maanden schuldig gemaakt aan belaging van de benadeelde partij door allerlei opname- en trackingapparatuur te plaatsen in haar huis, fiets en auto. Als gevolg van afgeluisterde gesprekken wist de verdachte dat de psychotherapeut van zijn ex-partner haar had geadviseerd de relatie met de verdachte te beëindigen en heeft hij een ontploffing teweeggebracht op het adres van de psychotherapeut van de benadeelde partij. Door zijn handelen heeft de verdachte op zeer ernstige wijze een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de benadeelde partij en haar naasten. Het bewezenverklaarde is voor de benadeelde partij – zoals onder meer blijkt uit het dossier, de aangifte in het bijzonder en wat namens haar ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht – zeer beangstigend geweest.
Gelet op het voorgaande en de bedragen die in soortgelijke zaken worden vastgesteld, acht het hof een bedrag van € 2.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, billijk. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
11.2
[benadeelde 3]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding voor de schade aan haar woning, zonder opgave van de hoogte daarvan. De benadeelde partij heeft daarvoor verwezen naar de vordering van haar partner [benadeelde 2] . De vordering van de benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd.
Het hof is daarom van oordeel dat de benadeelde partij niet in de vordering kan worden ontvangen en de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
11.3
[benadeelde 2]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.750,00, bestaande uit materiële schade en een vergoeding van immateriële schade zonder opgave van de hoogte daarvan. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.550,00 voor vergoeding van de materiële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.
Materiële schade
De vordering ten aanzien van de materiële schade bedraagt € 2.750,00 te vermeerderen met de wettelijke rente en bestaat uit de volgende schadeposten:
Eigen risico onroerend goed: € 150,00
Eigen risico roerend goed: € 150,00
Lamellen: € 2.450,00 (het hof heeft te oordelen tot een bedrag van € 1.250,00)
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A onder 1 subsidiair en 2 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden. Het gevorderde bedrag voor de kosten onder a) en b) is naar het oordeel van het hof door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Nu dit deel van de vordering niet wordt betwist en het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal het hof deze toewijzen.
Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, nu onduidelijk is of de lamellen al dan niet (deels) vergoed zijn door de verzekeraar. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
11.4
[benadeelde 4]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.329,67, bestaande uit materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 868,81. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Materiële schade
De vordering ten aanzien van de materiële schade bedraagt € 2.329,67 te vermeerderen met de wettelijke rente en bestaat uit de volgende schadeposten:
Gereedschappen: € 3.100,00
audioapparatuur: € 150,00
herstel schuurdeur: € 692,12
voordeursloten € 176,69
Door de verzekeraar is een bedrag van € 1.789.14 vergoed, zodat dit bedrag in mindering kan worden gebracht.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A onder 8 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden. Het gevorderde bedrag voor de kosten onder c) en d) is naar het oordeel van het hof door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Nu dit deel van de vordering niet wordt betwist en het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal het hof deze toewijzen.
Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. Door de verzekering is een bedrag vergoed, terwijl niet nader is onderbouwd waarom een hogere vergoeding dan die is uitgekeerd, wordt gevorderd. De verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
11.5
[benadeelde 5]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, zonder opgave van een bedrag. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd.
Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij thans in de vordering niet kan worden ontvangen en de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
11.6
[benadeelde 6]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.805,-, bestaande uit € 805,- materiële schade en reiskosten en € 2.000,00 voor de vergoeding van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 250,00 voor vergoeding van de immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.
Artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b BW brengt mee dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien zij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. De benadeelde heeft blijkens het Forensisch Geneeskundig Letselverslag van 8 februari 2022 lichamelijk letsel opgelopen, te weten blauwe plekken en schaafwonden op meerdere plekken op haar lichaam. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak B onder 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden als hiervoor bedoeld. Het hof zal de omvang van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid en gelet op wat in soortgelijke gevallen wordt toegewezen vaststellen op € 250,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

12.Beslag

Onder de verdachte zijn voorwerpen in beslag genomen. De op de beslaglijst onder 27 tot en met 40 vermelde voorwerpen zijn blijkens het dossier al terug gegeven aan de rechthebbende, zodat het hof daarover geen beslissing hoeft te nemen.
12.1
Standpunt openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat ten aanzien van het beslag wordt beslist conform de rechtbank in eerste aanleg.
12.2
Standpunt verdediging
De raadsman heeft ter terechtzitting een standpunt ingenomen ten aanzien van de op de beslaglijst onder 1 tot en met 21 vermelde en door de rechtbank verbeurdverklaarde goederen.
De raadsman heeft ten aanzien van de op de beslaglijst onder 1, 5 tot en met 8 en 21 vermelde voorwerpen (gegevensdragers) het hof verzocht deze terug te geven aan de verdachte, nadat de strafbare bestanden zijn gewist. Op deze gegevensdragers staan waardevolle bestanden, zoals foto’s van de kinderen van de verdachte, die hij anders permanent kwijtraakt.
Ten aanzien van de op de beslaglijst onder 2 tot en met 4, 9, 10, 12 en 20 vermelde voorwerpen heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat deze gegevensdragers niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat geen gegevens zijn aangetroffen die relevant zijn of anderszins verband houden met de onderhavige zaak, zodat ook deze voorwerpen kunnen worden teruggegeven aan de verdachte. Ten aanzien van het op de beslaglijst onder 14 vermeld voorwerp is verzocht om teruggave aan de verdachte, nu niet duidelijk uit het dossier is op te maken dat dit voorwerp vatbaar is voor verbeurdverklaring. De op de beslaglijst onder 11, 13 en 15 tot en met 19 vermelde voorwerpen kunnen worden verbeurdverklaard.
12.3
Oordeel van het hof
12.3.1
Verbeurdverklaring
Het in zaak A onder 3 tot en met 6 bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot de hierna te noemen aan de verdachte toebehorende inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen:
- usb-stick (beslaglijst onder 1 – nr. 6162291)
- telefoontoestel van de verdachte (beslaglijst onder 5 – nr. 6161850)
- telefoontoestel van de verdachte (beslaglijst onder 6 – nr. 6161852)
- laptop van de verdachte (beslaglijst onder 7 – nr. 6161853)
- SD-kaart (beslaglijst onder 8 – nr. 6161854)
- baken (beslaglijst onder 9 – nr. 6161930)
- baken uit de fietstas (beslaglijst onder 11 – nr. 6161976)
- camera (beslaglijst onder 13 – nr. 6162686)
- micro SD (beslaglijst onder 15 – nr. 6162691)
- draad voor camera (beslaglijst onder 16 – nr. 6162694)
- router (beslaglijst onder 17 – nr. 6167506)
- simkaart uit de tracker (beslaglijst onder 18 – nr. 6174951)
- tracker uit de auto (beslaglijst onder 19 – nr. 6174952)
- oplader horende bij de laptop - vermeld onder nummer 7 (beslaglijst onder 21 – nr. 6200002)
Deze voorwerpen zullen daarom worden verbeurdverklaard.
Ten aanzien van de op de beslaglijst onder 1, 5 tot en met 8 en 21 vermelde voorwerpen overweegt het hof dat het door de raadsman gedane verzoek tot het opschonen van deze gegevensdragers, om deze vervolgens te kunnen teruggeven aan de verdachte, een onaanvaardbare werkbelasting oplevert voor de beperkte opsporingscapaciteit.
12.3.2
Onttrekking aan het verkeer
Het in zaak A onder 1 subsidiair en 2 primair bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot de inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen:
- dopje Cobra (beslaglijst onder 22 – nr. 6161268)
- resten Cobra (beslaglijst onder 23 – nr. 6161269)
- Cobra (beslaglijst onder 25 – nr. 6162403)
- seinpistool (beslaglijst onder 26 – nr. 6162657).
Deze voorwerpen zullen aan het verkeer worden onttrokken, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en met de wet.
12.3.3
Teruggave voorwerpen
De hierna te noemen inbeslaggenomen voorwerpen houden geen verband met de bewezenverklaarde feiten in deze zaak en dienen te worden teruggegeven aan de verdachte:
- usb-stick (beslaglijst onder 2 – nr. 6162292)
- harddisk (beslaglijst onder 3 – nr. 6162384)
- voorwerp horende bij de harddisk onder 3 (beslaglijst onder 4 – nr. 6187217)
- usb-stick (beslaglijst onder 10 – nr. 6161938)
- harddisk (beslaglijst onder 12 – nr. 96162304)
- voorwerp horende bij harddisk onder 12 (beslaglijst onder 20 – nr. 6187205)
- mes (beslaglijst onder 24 – nr. 6161856)
12.3.4
Bewaring voor de rechthebbende
Het hof is van oordeel dat de inbeslaggenomen
- usb-stick (beslaglijst onder 14 – nr. 6162688)
dient te worden teruggegeven aan de rechthebbende(n).

13.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 37a, 38, 38a, 38v, 38w, 138ab, 139d, 139f, 157, 285, 285b, 300, 310 en 311 Sr.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte en de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing van het in de zaak met parketnummer 13-063270-22 onder feit 7 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover inhoudelijk aan de orde, en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 13-063270-22 onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 13-063270-22 onder 1 subsidiair, 2 primair, 3, 4, 5, 6 en 8 en in de zaak met parketnummer 18-039040-22 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 13-063270-22 onder 1 subsidiair, 2 primair, 3, 4, 5, 6 en 8 en in de zaak met parketnummer 18-039040-22 onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
24 (vierentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelastdat de verdachte
ter beschikking wordt gesteld, waarbij als algemene voorwaarde geldt dat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en stelt daarbij ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de volgende voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde:
- veroordeelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;
- veroordeelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
  • veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering of op een ander door de reclassering bepaalde locatie. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
  • veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om veroordeelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
  • veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;
  • veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken;
  • veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
  • veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
  • veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht;
- als de reclassering dat nodig vindt en de terbeschikkinggestelde daarmee instemt, kan de terbeschikkinggestelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC), een Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK) of een soortgelijke instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de terbeschikkinggestelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken. tot maximaal veertien weken per jaar;
- veroordeelde begeeft zich niet zonder toestemming van de reclassering buiten het Europese deel van de landsgrenzen van Nederland. Veroordeelde overlegt hierover vooraf met de reclassering, waarna de reclassering beslist;
- veroordeelde wordt verplicht om zich op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling te laten opnemen en behandelen in een intramurale instelling, zulks ter beoordeling van de Divisie Individuele Zaken van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Daarbij houdt de veroordeelde zich aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven, zolang de reclassering dat in overleg met die instelling nodig acht;
- veroordeelde neemt indien voorgeschreven door de behandelaars, medicatie in, zolang als zijn behandelaars nodig achten;
- veroordeelde werkt mee aan een ambulant behandeltraject aansluitend aan de klinische fase. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;
- veroordeelde werkt mee aan het vinden en behouden van passende huisvesting, ook als dat inhoudt beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
- veroordeelde werkt mee aan het vinden van passend werk dan wel een zinvolle dagbesteding (indien nodig), waarbij rekening gehouden wordt met zijn draagkracht en -last;
- veroordeelde geeft openheid over zijn sociale netwerk en relaties;
- veroordeelde geeft inzage in zijn financiële situatie en werkt indien door de reclassering geïndiceerd mee aan een schuldsaneringstraject;
- veroordeelde onthoudt zich gedurende de looptijd van de TBS-maatregel van het gebruik van hard- en softdrugs. Veroordeelde werkt mee aan urine-, bloed- en/of wangslijmonderzoek indien de reclassering dergelijk onderzoek geïndiceerd acht;
- veroordeelde onthoudt zich van het gebruik van alcohol, zolang de reclassering dit nodig acht. Veroordeelde werkt mee aan urine-, bloed- en/of ademonderzoek indien de reclassering dergelijk onderzoek geïndiceerd acht;
- veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. Het contactverbod dient gecontroleerd te worden door de politie;
- veroordeelde werkt tijdens de fase van onbegeleide verloven mee aan elektronische monitoring indien de reclassering dat geïndiceerd acht.
Geeft de reclassering opdracht aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden.
Beveelt dat de opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden
dadelijk uitvoerbaaris.
Legt op de
maatregel strekkende tot beperking van de vrijheidinhoudende dat de veroordeelde
voor de duur van 5 jaren:
1) voor de duur van 5 (vijf) jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
  • [benadeelde 1] , geboren [geboortedag 2] 1979 te [geboorteplaats 2] ( [geboorteland] )
  • [benadeelde 2] , geboren [geboortedag 3] 1951 te [geboorteplaats 3]
  • [benadeelde 3] , geboren [geboortedag 4] 1949 te [geboorteplaats 4]
2) voor de duur van 5 (vijf) jaren zich niet zal ophouden binnen een straal van 100 meter van de adressen waar voornoemde personen wonen en werken, te weten:
  • [adres 3] (
  • [adres 4] (
  • [adres 5] (
  • [adres 6] (
  • [adres 1] (
  • [adres 7] en [adres 8] (
  • [adres 9] (
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 6 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel
dadelijk uitvoerbaaris.
Beveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht. Beveelt daarnaast dat de tijd dat de vervangende hechtenis eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij de tenuitvoerlegging in mindering zal worden gebracht.
Verklaart verbeurdde in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- usb-stick (beslaglijst onder 1 – nr. 6162291)
- telefoontoestel van de verdachte (beslaglijst onder 5 – nr. 6161850)
- telefoontoestel van de verdachte (beslaglijst onder 6 – nr. 6161852)
- laptop van de verdachte (beslaglijst onder 7 – nr. 6161853)
- SD-kaart (beslaglijst onder 8 – nr. 6161854)
- baken (beslaglijst onder 9 – nr. 6161930)
- baken uit de fietstas (beslaglijst onder 11 – nr. 6161976)
- camera (beslaglijst onder 13 – nr. 6162686)
- micro SD (beslaglijst onder 15 – nr. 6162691)
- draad voor camera (beslaglijst onder 16 – nr. 6162694)
- router (beslaglijst onder 17 – nr. 6167506)
- simkaart uit de tracker (beslaglijst onder 18 – nr. 6174951)
- tracker uit de auto (beslaglijst onder 19 – nr. 6174952)
- oplader horende bij de laptop - vermeld onder nummer 7 (beslaglijst onder 21 – nr. 6200002)
Beveelt de
onttrekking aan het verkeervan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- dopje Cobra (beslaglijst onder 22 – nr. 6161268)
- resten Cobra (beslaglijst onder 23 – nr. 6161269)
- Cobra (beslaglijst onder 25 – nr. 6162403)
- seinpistool (beslaglijst onder 26 – nr. 6162657).
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- usb-stick (beslaglijst onder 2 – nr. 6162292)
- harddisk (beslaglijst onder 3 – nr. 6162384)
- voorwerp horende bij de harddisk onder 3 (beslaglijst onder 4 – nr. 6187217)
- usb-stick (beslaglijst onder 10 – nr. 6161938)
- harddisk (beslaglijst onder 12 – nr. 96162304)
- voorwerp horende bij harddisk onder 12 (beslaglijst onder 20 – nr. 6187205)
- mes (beslaglijst onder 24 – nr. 6161856)
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbendevan het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- usb-stick (beslaglijst onder 14 – nr. 6162688)
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-063270-22 onder 3, 4, 5 en 6 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 6.179,61 (zesduizend honderdnegenenzeventig euro en eenenzestig cent) bestaande uit € 4.179,61 (vierduizend honderdnegenenzeventig euro en eenenzestig cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-063270-22 onder 3, 4, 5 en 6 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.179,61 (zesduizend honderdnegenenzeventig euro en eenenzestig cent) bestaande uit € 4.179,61 (vierduizend honderdnegenenzeventig euro en eenenzestig cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 65 (vijfenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 14 maart 2022.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-063270-22 onder 1 subsidiair en 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 300,00 (driehonderd euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-063270-22 onder 1 subsidiair en 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 300,00 (driehonderd euro) als vergoeding voor materiële schade.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 6 (zes) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 12 maart 2022.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-063270-22 onder 8 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 868,81 (achthonderdachtenzestig euro en eenentachtig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 4] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-063270-22 onder 8 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 868,81 (achthonderdachtenzestig euro en eenentachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 17 (zeventien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 20 maart 2022.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 5] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 6] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-039040-22 onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 250,00 (tweehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 6] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-039040-22 onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 23 januari 2022.
Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N. van der Wijngaart, mr. R. van der Heijden en mr. A.H. Tiemens, in tegenwoordigheid van mr. Z. Hoshmand, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 juli 2025.
mrs. R. van der Heijden en A.H. Tiemens zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tenlasteleggingen
Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep op 12 juni 2025 door het gerechtshof toegelaten wijzigingen is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
Zaak A:
1. primair
hij op of omstreeks 12 maart 2022 te Amstelveen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet een ontstoken vuurwerkbom en/of een Cobra, in elk geval een ontstoken explosief, door de brievenbus van een woning, gelegen aan de [adres 1] , in de brievenbus heeft gestoken/of geplaatst en/of dit explosief naar binnen heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
1. subsidiair
hij op of omstreeks 12 maart 2022 te Amstelveen, althans in Nederland, [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, althans met brandstichting, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een ontstoken vuurwerkbom en/of een Cobra, in elk geval een ontstoken explosief, door de brievenbus van een woning, gelegen aan de [adres 1] , in de brievenbus heeft gestoken/of geplaatst en/of dit explosief naar binnen heeft gegooid;
2. primair
hij op of omstreeks 12 maart 2022 te Amstelveen, althans in Nederland, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een ontstoken vuurwerkbom en/of een Cobra, in elk geval een ontstoken explosief, door de brievenbus van een woning, gelegen aan de [adres 10] , in de brievenbus te steken en/of plaatsen en/of dit explosief naar binnen te gooien terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor die woning en de zich in die woning bevindende goederen, en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te weten voor de zich in die woning bevindende personen, te duchten was;
2. subsidiair
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 12 maart 2022 te Amstelveen, althans in Nederland opzettelijk en wederrechtelijk een woning (gelegen aan de de [adres 1] ) en/of de in de woning (gelegen aan de de [adres 1] ) bevindende goederen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
3.
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2022 tot en met 15 april 2022 te Amstelveen en/of Leeuwarden, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op andermans persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde 1] , met het oogmerk die [benadeelde 1] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, door in voornoemde periode (telkens),
- meermalen, althans eenmaal, langs (de woning van) voornoemde [benadeelde 1] te lopen en/of rijden en/of
- meermalen, althans eenmaal, zich in de nachtelijke uren in de woning en/of garage van voornoemde [benadeelde 1] te bevinden en/of
- een vuurwerkbom, althans explosief, tot ontploffing te brengen in/bij de woning van de psychotherapeut van voornoemde [benadeelde 1] en/of
- een camera in de meterkast van de woning van voornoemde [benadeelde 1] te plaatsen en/of - afluisterapparatuur in de keuken van de woning van voornoemde [benadeelde 1] te plaatsen en/of
- een baken/trackingkastje in (de fietstas van) de bakfiets van voornoemde [benadeelde 1] te plaatsen en/of voornoemde [benadeelde 1] daarmee te volgen en/of
- een baken/trackingkastje in het voertuig van voornoemde [benadeelde 1] te plaatsen en/of voornoemde [benadeelde 1] daarmee te volgen en/of
- een camera (onder het bed) in de slaapkamer van de woning van voornoemde [benadeelde 1] te plaatsen en/of
- een router/modem in de meterkast van de woning van voornoemde [benadeelde 1] te plaatsen en/of
- één of meerdere printscreens te maken van één of meerdere wachtwoorden van voornoemde [benadeelde 1] en/of - één of meerdere (social media) accounts van voornoemde [benadeelde 1] te beheren en/of
- zich (op het Whatsappaccount van voornoemde [benadeelde 1] ) voor te doen/ uit te geven als ware voornoemde [benadeelde 1] en/of (vervolgens) uit naam van voornoemde [benadeelde 1] via Whatsapp berichten te sturen aan vrienden/kennissen van voornoemde [benadeelde 1] ;
4.
hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2022 tot en met 15 april 2022 te Amstelveen en/of Leeuwarden, althans in Nederland, gebruik makende van een technisch hulpmiddel (te weten een camera) waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar was gemaakt opzettelijk en wederrechtelijk van [benadeelde 1] aanwezig in een woning of op een andere niet voor het publiek toegankelijke plaats, te weten de woning van voornoemde [benadeelde 1] , aan de [adres 3] , een afbeelding en/of film heeft vervaardigd
en/of
hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2022 tot en met 14 maart 2022 te Amstelveen en/of Leeuwarden, althans in Nederland, met het oogmerk dat daardoor een gesprek, telecommunicatie en/of andere gegevensoverdracht en/of andere gegevensverwerking, door een geautomatiseerd werk wederrechtelijk werd afgeluisterd, afgetapt en/of opgenomen; een technisch hulpmiddel, te weten
- een baken/trackingkastje in (de fietstas van) de bakfiets van voornoemde [benadeelde 1] en/of
- een baken/trackingkastje in het voertuig van voornoemde [benadeelde 1] en/of
- een camera in de meterkast en/of afluisterapparatuur in de keuken en/of een camera (onder het bed) in de slaapkamer en/of een router/modem in de meterkast van de woning van [benadeelde 1] , aan de [adres 3] , aanwezig heeft doen zijn;
5.
hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2022 tot en met 14 maart 2022 te Amstelveen en/of Leeuwarden, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) een geautomatiseerd werk, te weten
- ( de harde schijf van) de laptop van [benadeelde 1] , althans van een ander dan verdachte,
- het e-mailaccount en/of [account 1] account en/of [account 2] account van [benadeelde 1] , benaderd via [website 2] , althans één of meerdere server(s) van [bedrijf 2] , althans van een ander dan verdachte, is binnengedrongen
a. door het doorbreken van een beveiliging,
b. door een technische ingreep,
c. met behulp van valse signalen of een valse sleutel, te weten het onbevoegd gebruik maken van het voorgenoemde e-mailaccount en/of [account 1] account en/of [account 2] account en/of wachtwoorden van voornoemde [benadeelde 1] ,
d. door het aannemen van een valse hoedanigheid, te weten het zich voordoen als de rechtmatige gebruiker van het voorgenoemde e-mailaccount en/of [account 1] account en/of [account 2] account en/of wachtwoorden van voornoemde [benadeelde 1] , en/of (vervolgens) de gegevens, te weten een of meerdere e-mails, althans vertrouwelijke teksten die zijn opgeslagen in het Postvak IN en/of een (offline) kopie van het Postvak IN van het voornoemde e-mailaccount en/of [account 1] account en/of [account 2] account van voornoemde [benadeelde 1] , althans op voornoemde server(s) van [bedrijf 2] , althans van een ander dan verdachte, die worden verwerkt of worden overgedragen door middel van voornoemd geautomatiseerd werk, waarin hij zich wederrechtelijk bevond, voor zichzelf en/of een ander heeft overgenomen en/of afgetapt en/of opgenomen;
6.
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2022 tot en met 14 maart 2022 te Amstelveen en/of Leeuwarden, althans in Nederland, één of meerdere computerwachtwoord(en), toegangscode(s) en/of daarmee vergelijkbaar/vergelijkbare gegeven(s), waardoor toegang kon worden gekregen tot een (deel van een) geautomatiseerd werk heeft vervaardigd, verworven, ingevoerd, verspreid en/of anderszins ter beschikking heeft gesteld en/of voorhanden heeft gehad, met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab, eerste lid, 138b of 139c Wetboek van strafrecht werd gepleegd, immers heeft verdachte (telkens) (lijsten met) inloggegeven(s) en/of daarbij behorende wachtwoord(en) die toegang verlenen tot een of meerdere account(s) van webshop(s)/winkel(s)/hotel(s)/social media account(s)/e-mail account(s) (waaronder onder andere [winkel 1] , [winkel 2] , [hotel] , [website 1] , [social media] , [bedrijf 1] ) toebehorende aan [benadeelde 1] verworven, ingevoerd, ter beschikking gesteld en voorhanden gehad met de bedoeling om daarmee zichzelf toegang te verschaffen tot voornoemde account(s), zijnde (delen van) geautomatiseerde werken van [benadeelde 1] (zie pagina 227 tot en met pagina 230 PV VGL deel 2);
7.
hij op of omstreeks 12 maart 2022 te Amstelveen, althans in Nederland, een hoeveelheid sleutels, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
8.
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 januari 2022 tot en met 20 maart 2022 te Amstelveen, althans in Nederland, drie boormachines en/of een hoeveelheid gereedschap (onder andere diverse bitsetjes en/of steekringsleutels en/of doppenset) en/of een Cd-speler (merk Harman Cardon) en/of een surround tuner/versterker (merk JVC), in elk geval enig(e) goed(eren), die geheel of ten dele aan [benadeelde 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming en/of een valse sleutel, namelijk door middel van een sleutel, tot het gebruik waarvan hij, verdachte, niet gerechtigd was;
Zaak B (gevoegd):
1.
hij op of omstreeks 23 januari 2022 te Leeuwarden een deurbel ((ring professional) , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 5] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op of omstreeks 23 januari 2022 te Leeuwarden [benadeelde 6] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal
- ( met kracht) een duw tegen het lichaam van die [benadeelde 6] te geven (waardoor die [benadeelde 6] ten val kwam) en/of
- ( met kracht) tegen het hoofd van die [benadeelde 6] te slaan en/of stompen (waardoor die [benadeelde 6] ten val kwam);
=========================================================================
[…]