ECLI:NL:GHAMS:2025:1986
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot wijziging van voorlopige partneralimentatie na detentie
De man en vrouw waren gehuwd in 2018 en de man werd door de rechtbank verplicht voorlopige partneralimentatie te betalen sinds oktober 2020. Na echtscheiding in februari 2022 werd de alimentatie verhoogd. De man zat meerdere periodes in detentie, wat leidde tot een verzoek tot wijziging van de alimentatie wegens gewijzigde omstandigheden.
De rechtbank wees het verzoek van de man tot wijziging van de voorlopige voorziening af. De man ging hiertegen in hoger beroep, maar het hof oordeelde dat het hoger beroep tegen de voorlopige voorziening niet ontvankelijk is, omdat de wettelijke regels dit verbieden tenzij uitzonderingen van het Enka/Dupont-criterium van toepassing zijn, wat hier niet het geval was.
Voor de periode na de echtscheiding stelde het hof vast dat de man wel degelijk gewijzigde omstandigheden had aangetoond door zijn detentie en verminderde draagkracht. Echter stelde het hof vast dat de ingangsdatum van een wijziging niet terugwerkend kan zijn tot 9 juli 2021, maar pas vanaf 12 februari 2024, de datum van het verzoekschrift. Omdat de onderhoudsverplichting op 8 februari 2024 was geëindigd, had de man geen belang meer bij de inhoudelijke beoordeling van zijn verzoek.
De vrouw verzocht om proceskostenveroordeling wegens misbruik van procesrecht, maar het hof vond onvoldoende bewijs voor onrechtmatig handelen en compenseerde de proceskosten. Het hof bekrachtigde daarmee de bestreden beschikking en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank tot afwijzing van het verzoek tot wijziging van de voorlopige partneralimentatie.