ECLI:NL:GHAMS:2025:1989

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
29 juli 2025
Publicatiedatum
29 juli 2025
Zaaknummer
200.353.819/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarigen in het kader van gezinsproblematiek

In deze zaak gaat het om de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland heeft op 20 maart 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing verleend, die de moeder van de kinderen aanvecht in hoger beroep. De GI is het eens met de beslissing van de kinderrechter. Het hof bekrachtigt de beschikking voor de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en voor [minderjarige 1] voor een bepaalde periode, maar vernietigt de beschikking voor de overige periode. De moeder heeft in hoger beroep aangevoerd dat de uithuisplaatsing niet noodzakelijk was en dat er geen psychische problematiek bij haar is vastgesteld. De GI heeft echter aangegeven dat er zorgen zijn over de kinderen en de moeder, en dat er signalen zijn van psychische problematiek. De raad voor de Kinderbescherming heeft geadviseerd om de beschikking te bekrachtigen. Het hof concludeert dat de zorgen over de kinderen gerechtvaardigd zijn en dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is voor hun welzijn. De beslissing van het hof is op 29 juli 2025 openbaar uitgesproken.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.353.819/01
zaaknummer rechtbank: C/15/362772 / JU RK 25-335
beschikking van de meervoudige kamer van 29 juli 2025 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. D.E. Oud te Krommenie,
en
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio [plaats B] ,
gevestigd te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de GI.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] )
- de minderjarige [minderjarige 2] , (hierna: [minderjarige 2] )
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna gezamenlijk: de kinderen).
1.2
De kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kinderrechter) heeft in een beschikking van 20 maart 2025 (hierna: de bestreden beschikking) een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een (netwerk)pleeggezin dan wel in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verleend, met ingang van 4 april 2025 tot 30 september 2025.
De moeder is het daar niet mee eens en wil dat het verzoek van de GI alsnog wordt afgewezen. De GI is het wel eens met de bestreden beschikking.
1.3
Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking voor wat betreft de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en voor wat betreft [minderjarige 1] voor de periode van 4 april 2025 tot en met 19 juni 2025 en vernietigt deze voor het overige. Hierna wordt uitgelegd waarom.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 23 april 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De GI heeft op 21 mei 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 21 mei 2025 met een bijlage (proces-verbaal mondelinge behandeling eerste aanleg).
2.4
De voorzitter heeft op 25 juni 2025 voorafgaand aan de zitting, in het bijzijn van de griffier, met [minderjarige 1] gesproken. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven. Het hof heeft [minderjarige 2] ook de gelegenheid gegeven om te laten weten wat hij van de zaak vindt. Hij heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
2.5
De zitting heeft op 25 juni 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- een vertegenwoordiger van de GI, en
- de raad, vertegenwoordigd door R. Bark.

3.De feiten

3.1
Uit de moeder zijn geboren:
- [minderjarige 1] , [in] 2010 te [plaats B] , en
- [minderjarige 2] , [in] 2013 te [plaats A] .
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.
3.2
Bij beschikking van de kinderrechter van 28 november 2013 is [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van (destijds nog) Bureau Jeugdzorg tot 28 november 2014, welke ondertoezichtstelling daarna is verlengd en heeft voortgeduurd tot 28 november 2015.
3.3
Bij beschikking van de kinderrechter van 30 september 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 30 september 2024 tot 30 september 2025.
3.4
Bij beschikking van de kinderrechter van 7 maart 2025 is vervolgens een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verleend in een (netwerk)pleeggezin, dan wel, indien een pleeggezin niet mogelijk is, in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van vier weken. De beslissing is voor het overige aangehouden tot de zitting van de bestreden beschikking, om de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen te worden gehoord door de kinderrechter.
3.5
[minderjarige 1] verbleef vanaf maart 2025 tot 19 juni 2025 bij een groep van Levvel in [plaats C] . Sinds 19 juni 2025 woont zij weer bij de moeder. [minderjarige 2] verblijft bij een pleeggezin van Levvel in [plaats D] .

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een (netwerk)pleeggezin dan wel – indien een pleeggezin niet mogelijk is – in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 4 april 2025 tot 30 september 2025.
4.2
De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen.
4.3
De GI verzoekt de moeder niet ontvankelijk te verklaren in het door haar ingestelde hoger beroepverzoek, dan wel dit af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:265b, eerste lid, BW volgt dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
De standpunten
5.2
De moeder is van mening dat er niet is voldaan aan de vereisten voor een uithuisplaatsing. De GI heeft gehandeld in strijd met het uitgangspunt dat een uithuisplaatsing een ultimum remedium is. Het is disproportioneel dat de GI een half jaar na de aanvang van de ondertoezichtstelling zonder tussentijds gezinsplan of schriftelijke aanwijzing(en) is overgegaan tot een spoeduithuisplaatsing. De moeder wordt verweten dat zij niet heeft meegewerkt, maar het was voor haar niet duidelijk waaraan zij moest meewerken. Er heeft wel een aantal afspraken tussen de GI en de moeder plaatsgevonden. Verder betwist de moeder dat er sprake is van psychische problematiek bij haar. Zij is niet psychisch onderzocht en daar is ook geen noodzaak toe. De moeder is dus niet gediagnosticeerd met een psychische aandoening, en is ook niet psychotisch. Zij staat wel onder behandeling bij meerdere artsen voor haar fysieke problematiek, dus het is aannemelijk dat deze artsen aan de bel zouden trekken als er zorgen zouden zijn over de geestelijke gesteldheid van de moeder.
5.3
De GI voert aan dat de machtiging tot uithuisplaatsing op goede gronden is afgegeven. De GI heeft meerdere pogingen ondernomen om contact te krijgen met de moeder, maar de moeder heeft lange tijd niet gereageerd op de GI en zij stond niet open voor een gesprek. De twee momenten dat het de GI wel lukte om in contact te komen met de moeder, lukte het niet om inhoudelijk een gesprek te hebben en om veiligheidsafspraken te maken. Het is daarom ook niet gelukt om een gezinsplan op te stellen. Omdat de GI geen zicht had op de kinderen en er grote zorgen waren over hen (vanwege zorgelijke signalen vanuit school) heeft de GI verzocht een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen te verlenen. De GI meent dat er signalen zijn die wijzen op psychische problematiek bij de moeder. Zo is de moeder nauwelijks te volgen in de gesprekken met de GI en heeft [minderjarige 2] bepaalde uitlatingen over zijn moeder gedaan. Ook de school heeft aangegeven moeilijk met moeder gesprekken te kunnen voeren. Daarnaast blijkt uit de beoordeling van de GGZ-crisisdienst in maart 2025 dat de moeder toen manisch psychotische kenmerken vertoonde. Het ontbreken van een diagnose betekent niet dat er geen sprake is van psychische problematiek. Als de moeder niet meewerkt aan hulpverlening en onderzoek is het ook niet mogelijk om een diagnose te stellen. Er is onderzoek nodig om te kijken in hoeverre sprake is van psychische problematiek, aldus de GI.
Het advies van de raad
5.4
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking ten aanzien van [minderjarige 2] te bekrachtigen. Het afgelopen jaar waren er toenemende zorgen over de kinderen. Met name de uitspraken die [minderjarige 2] eind februari dan wel begin maart in een gesprek met de GI heeft gedaan, zijn zorgelijk. Door de uitspraken van [minderjarige 2] was er geen ruimte meer s voor een schriftelijke aanwijzing. Er moest direct ingegrepen worden. De moeder erkent de zorgen onvoldoende. Het is een belangrijke voorwaarde voor de definitieve terugplaatsing van [minderjarige 2] dat er meer zicht komt op de psychische gesteldheid van de moeder. De raad kan zich vinden in de keuze van de GI om [minderjarige 1] terug te plaatsen. [minderjarige 1] had weerstand tegen de plaatsing en de moeder werkt (inmiddels) mee aan hulp(verlening) voor [minderjarige 1] , aldus de raad.
De beoordeling door het hof
5.5
Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is onder meer het volgende gebleken. Al langere tijd zijn er zorgen over de kinderen. Op 27 februari 2024 is door de raad een beschermingsonderzoek naar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] afgesloten zonder maatregel. De zorgen over de kinderen waren op dat moment niet zodanig ernstig dat er voldoende gronden werden gezien om een ondertoezichtstelling te verzoeken. Bij nieuwe zorgen omtrent de kinderen kon binnen zes maanden na afsluiting van het onderzoek direct een terugmelding bij de raad worden gedaan. In april 2024 is bij de raad een terugmelding binnengekomen van Veilig Thuis. De school van [minderjarige 2] heeft destijds een melding gedaan bij Veilig Thuis dat [minderjarige 2] op dat moment in een situatie zat waarin hij niet veilig kon opgroeien. Zo zou hij suïcidale uitspraken en zorgelijke uitspraken over de moeder gedaan hebben. Naar aanleiding daarvan is een aanvullend raadsonderzoek uitgevoerd en heeft de raad verzocht om de kinderen onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Bij beschikking van de kinderrechter van 30 september 2024 is dit verzoek toegewezen. De kinderrechter overwoog daarbij onder meer dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, welke ontwikkelingsbedreiging eruit bestaat dat de moeder de kinderen belast met haar uitspraken en (wereld)ideeën en haar wantrouwen richting de hulpverlening. Ook vond de kinderrechter het zorgelijk dat de kinderen zich steeds meer terug lijken te trekken in het contact met anderen en de ideeën en het wereldbeeld van de moeder overnemen.
5.6
Gebleken is dat de GI sinds november 2024, met behulp van de politie, heeft geprobeerd om zicht te krijgen op de thuissituatie bij de moeder, maar dat de moeder weigerde daaraan mee te werken. De GI heeft meermaals zonder succes geprobeerd in contact te komen met de moeder. De enkele momenten dat het de GI wel lukte om in contact te komen met de moeder, is het niet gelukt om inhoudelijk een gesprek te hebben en om veiligheidsafspraken te maken. Ten tijde van de bestreden beschikking had de GI geen zicht op de thuissituatie van de moeder. De kinderen leken zich steeds meer terug te trekken. In februari 2025 heeft [minderjarige 2] in een gesprek met de gezinsmanager zorgelijke uitspraken gedaan over de situatie bij de moeder thuis en de uitspraken die de moeder zou hebben gedaan. Ook de school had destijds ernstige zorgen over de thuissituatie. Daarnaast waren er zorgen over de psychische gesteldheid van de moeder. De GGZ crisisdienst heeft in maart 2025 vastgesteld dat er bij de moeder sprake was van manisch psychotische kenmerken. Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de kinderrechter destijds terecht een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een (netwerk)pleeggezin dan wel in een accommodatie jeugdhulpaanbieder heeft verleend.
5.7
Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de GI gefaseerd heeft gewerkt aan terugplaatsing van [minderjarige 1] . [minderjarige 1] is op 19 juni 2025 door de GI weer terug geplaatst bij de moeder, omdat het op de groep van Levvel niet goed met haar ging. Zij was niet te begeleiden, was gestopt met eten en drinken en ging niet naar school. [minderjarige 1] heeft hiermee de terugkeer naar huis feitelijk ‘afgedwongen’, ook al zijn de zorgen over de psychische gesteldheid van de moeder niet weggenomen. Vast is komen te staan dat de GI op dit moment goed contact heeft met de moeder. Sinds de terugplaatsing lijkt het beter met [minderjarige 1] te gaan, zij gaat weer naar school en lijkt haar bij haar moeder in huis haar eigen plan te trekken. De zorgen over [minderjarige 1] zijn hiermee niet weggenomen maar rechtvaardigen niet langer een uithuisplaatsing. Gelet op hetgeen hiervoor en onder 5.6 van deze beschikking is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking voor zover het de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] betreft over de periode van 4 april 2025 tot 19 juni 2025 bekrachtigen, en de beschikking voor de periode vanaf 19 juni 2025 tot 30 september 2025 vernietigen.
5.8
De GI heeft ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat [minderjarige 2] op zijn plek zit bij de pleegvader. Op de momenten dat er omgang is tussen [minderjarige 2] en de moeder ziet de GI kindsignalen bij [minderjarige 2] , waaronder trillen en beven. Na afloop van de omgang wordt hij rustiger. Er is op dit moment één keer per week omgang tussen [minderjarige 2] en de moeder, omdat hij dat genoeg vindt. Op korte termijn zal de omgang uitgebreid worden naar twee keer per week. De zorgen die eerder over de psychische problematiek van de moeder zijn geuit, zijn naar het oordeel van het hof nog niet weggenomen. De moeder erkent de zorgen en invloed van haar uitspraken op de ontwikkeling van de kinderen niet en staat wat dat betreft niet open voor hulpverlening. Zolang er geen dan wel onvoldoende zicht is op de psychische gesteldheid van de moeder en de thuissituatie, is terugplaatsing van [minderjarige 2] bij de moeder naar het oordeel van het hof niet mogelijk. Dit geldt te meer nu met name [minderjarige 2] zorgelijke uitspraken heeft gedaan over zijn thuissituatie en zijn moeder. Dat [minderjarige 1] inmiddels thuis woont, wil dus niet zeggen dat ook voor [minderjarige 2] de grond voor uithuisplaatsing is komen te vervallen. Het hof zal de bestreden beschikking ten aanzien van [minderjarige 2] dan ook bekrachtigen, voor zover daarin een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een (netwerk)pleeggezin is verleend.
5.9
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover daarin een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een (netwerk)pleeggezin is verleend;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover het de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] betreft over de periode van 4 april 2025 tot 19 juni 2025 en vernietigt de beschikking voor de periode vanaf 19 juni 2025 tot 30 september 2025.
wijst het inleidend verzoek van de GI om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een pleeggezin te verlenen voor de periode vanaf 19 juni 2025 alsnog af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. M.J. Alt-van Endt en mr. T.M. Subelack, in tegenwoordigheid van mr. I.L.I. Bossert als griffier en is op 29 juli 2025 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.